Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kleinste strandloper

Kleinste strandloper | Calidris minutilla

Least Sandpiper | Correlimos menudillo

De kleinste strandloper is de kleinste steltloper ter wereld en in de winter de algemeenste kleine strandloper van het Caribisch gebied. Hij is minder aan open slik gebonden dan de grijze strandloper en zoekt vaak voedsel aan begroeide oevers, in mangrove en aan de randen van zoetwatervijvers.

Kleinste strandloper (Calidris minutilla)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, rollend, oplopend krrriet of prrieet, vaak bij het opvliegen.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1107822

Opname: Jeff Stewart — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm, klein en gedrongen, met een gebogen houding. De snavel is kort, dun, spits en aan de punt licht neergebogen; de poten zijn geel tot groenig, maar kunnen door modder donker lijken. Bruiner dan de andere kleine strandlopers, met een bruine, fijn gestreepte borstband. In winterkleed grijsbruin van boven met donkere veercentra; jonge vogels zijn warm roestbruin, met witte randen die een V op de rug vormen. In vlucht een smalle vleugelstreep en een donker midden van stuit en staart.

Verwarrings­soorten

De grijze strandloper Calidris pusilla en de Alaskastrandloper Calidris mauri zijn grijzer, met zwarte poten, en staan rechter op de poten. De gestreepte strandloper Calidris melanotos heeft hetzelfde patroon van gele poten en gestreepte borst, maar is veel groter. De Bairds strandloper Calidris bairdii is groter en langvleugeliger, met zwarte poten.

Leefgebied

Modderige oevers van zoutpannen, lagunes en vijvers, ook zoetwatermoerassen, binnenlandse brakke meren, zuiveringsvijvers, rijstvelden en de slikranden van mangrove. Foerageert graag tussen lage begroeiing, sporen en algen, en is minder schuw dan veel andere strandlopers.

Verspreiding en trek

Wintergast en doortrekker op vrijwel alle eilanden: de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago. Het talrijkst op de Grote Antillen, de Bahama's en de Kaaimaneilanden. Buiten het gebied broedt de soort op de toendra en in de boreale zone van Alaska en Canada en overwintert ze van de zuidelijke Verenigde Staten tot het noorden van Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vrijwel elke modderige vijverrand of zoutpan levert in de winter kleinste strandlopers op, ook kleine plassen bij hotels en golfbanen. De pootkleur is het snelste kenmerk, maar alleen bij schone poten; anders helpen de bruine kleur en de gebogen houding.

Staat van instandhouding

Gevoelig. Langlopende tellingen in Noord-Amerika wijzen op een afname. In het Caribisch gebied verdwijnen pleisterplaatsen door het opvullen van zoutpannen en het kappen van mangrove; op Barbados en de Franse Antillen werden steltlopers traditioneel bejaagd.

Wetenschappelijke naam

Calidris minutilla | (Vieillot, 1819)

Vieillot beschreef de soort in 1819 als Tringa minutilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. minutilla is middeleeuws Latijn voor 'heel klein'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Halifax in Nova Scotia.