Alle soorten › Steltloperachtigen › Scholeksters › Amerikaanse bonte scholekster

Amerikaanse bonte scholekster | Haematopus palliatus

American Oystercatcher | Ostrero americano

De Amerikaanse bonte scholekster is een grote, zwaargebouwde kustvogel met een zwartbruin-wit verenkleed en een lange, felrode snavel. In het Caribisch gebied is hij een vogel van rotskusten, stranden en kleine eilandjes, waar paren het hele jaar hun stuk kust bezetten. De vogels zijn luidruchtig en vallen daardoor vaak eerder op door hun roep dan door hun verschijning.

Amerikaanse bonte scholekster (Haematopus palliatus)
Foto: Dick Daniels (http://theworldbirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Roept veel. De roep is een luid, doordringend kliep of wiek, vaak in reeksen. Bij territoriumgeschillen en de balts lopen of vliegen paren naast elkaar met een versnellend, schel getjilp dat in een triller overgaat.

Luister: DuetXC1008553

Opname: Jonas Nilsson — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

40–44 cm, gedrongen, met een dikke hals en vrij korte, stevige bleekroze poten. Kop en hals zijn zwart, rug en bovenvleugel donkerbruin, borst en buik wit. De snavel is lang, recht, zijdelings afgeplat en helder oranjerood; het oog is geel met een oranjerode oogring. In de vlucht vallen een brede witte vleugelstreep en een witte stuit op. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben bruinere veerranden van boven, een donkere punt aan de doffere snavel en een donker oog.

Verwarrings­soorten

Er komt in het gebied geen andere scholekster voor. De Amerikaanse schaarbek Rynchops niger is ook zwart-wit met een rood-zwarte snavel, maar heeft korte poten, lange smalle vleugels en een ondersnavel die langer is dan de bovensnavel. De willet Tringa semipalmata toont in de vlucht eveneens een zwart-wit vleugelpatroon, maar is grijs en heeft een donkere snavel.

Leefgebied

Rotskusten, kalkplateaus aan zee, zandstranden, getijdenslikken en vooral kleine, onbewoonde eilandjes en cays. Eet vooral schelpdieren, zoals mosselen, oesters en andere tweekleppigen, die hij met de snavel openwrikt of openhakt, en daarnaast slakken, krabben, zee-egels en wormen. Broedt in losse paren; het nest is een kuiltje in zand, grind of tussen rotsen boven de vloedlijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Wijdverbreid maar meestal in kleine aantallen. Vrij algemeen op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Puerto Rico met de omliggende eilandjes en de Maagdeneilanden. Op Cuba en Hispaniola schaars en plaatselijk. In de Kleine Antillen verspreid broedvogel van Anguilla en Sint-Maarten tot Grenada, vooral op eilandjes voor de kust. Ook op Aruba, Bonaire en Curaçao. Op Jamaica, Barbados en Trinidad en Tobago zeldzaam tot dwaalgast. Buiten het gebied langs de Atlantische kust van de Verenigde Staten en de Golf van Mexico, via Mexico en Midden-Amerika tot de kusten van Zuid-Amerika, in het oosten tot Argentinië en in het westen tot Chili.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best te vinden op rotsige eilandjes en stille stranden, bij laagwater, wanneer de vogels op de vrijgevallen rotsen en slikken foerageren. Vanaf een boot zijn ze vaak al van ver te horen. Op broedeilandjes leggen de paren zich niet neer bij verstoring; een eilandje met een roepend paar wordt het best vanaf het water bekeken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het Caribisch gebied gaat het om kleine, verspreide populaties die gevoelig zijn voor verstoring op stranden en eilandjes door bezoekers, honden en boten, en voor predatie door ratten en andere ingevoerde zoogdieren. Bebouwing van de kust en zeespiegelstijging verkleinen het broedgebied.

Wetenschappelijke naam

Haematopus palliatus | Temminck, 1820

Temminck beschreef de soort in 1820 als Hamatopus palliatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Haematopus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Haematopus is Grieks, van haima 'bloed' en pous 'voet', naar de rode poten. palliatus is Latijn voor 'gemanteld', van pallium 'mantel', naar de donkerbruine rug en vleugels. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Venezuela (later beperkt; oorspronkelijk Zuid-Amerika).