Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Amerikaanse kleine zilverreiger
Amerikaanse kleine zilverreiger | Egretta thula
Snowy Egret | Garceta nívea
De Amerikaanse kleine zilverreiger is een kleine, geheel witte reiger die op vrijwel elk eiland in het Caribisch gebied voorkomt, van zoutpannen en mangrove tot vijvers en sloten. Hij jaagt actief: roert met de voeten in de bodem, draaft door ondiep water en fladdert soms laag boven het oppervlak. Rond 1900 was de soort door de handel in hoedenveren sterk afgenomen; sindsdien heeft ze zich hersteld.
Geluid
Buiten de kolonie meestal stil. Bij opvliegen en in de kolonie een rauw, krassend aarr; in de kolonie ook borrelende geluiden.
Opname: Paul Driver — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
56–66 cm, slank en geheel wit, met een dunne zwarte snavel, een gele teugel, zwarte poten en gele voeten. In de broedtijd draagt de vogel lange, aan het eind omgekrulde pluimen op de rug, een volle, ruige kuif van vele veren op de achterkop en pluimen op de borst; tijdens de balts kleuren de teugel en soms de voeten oranjerood. Jonge vogels hebben groenachtige poten met geel aan de achterkant en een lichtere snavelbasis; de gele voeten zijn al aanwezig. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De kleine zilverreiger Egretta garzetta lijkt sterk; die heeft buiten de balts een blauwgrijze tot groengrijze teugel, in de broedtijd twee lange, smalle nekveren in plaats van een volle kuif, en een iets langere snavel. Jonge kleine blauwe reigers Egretta caerulea zijn wit maar hebben een grijsblauwe snavel met donkere punt, groenige poten en voeten en vaak donkere vleugelpunten. De grote zilverreiger Ardea alba is veel groter, met een gele snavel en geheel zwarte poten. De koereiger Ardea ibis is kleiner en gedrongener, met een korte gele snavel.
Leefgebied
Uiteenlopende ondiepe wateren, zout en zoet: lagunes, zoutpannen, mangrove, getijdenslik, zoetwatermoerassen, vijvers, rijstvelden en sloten. Eet kleine vissen, garnalen, krabben, insecten en andere kleine dieren. Broedt in gemengde reigerkolonies in mangrove en ander struweel, vaak boven water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op vrijwel alle eilanden: de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago. Op kleine eilanden zonder geschikt water vooral als bezoeker. In de winter komen er vogels uit Noord-Amerika bij. Buiten het gebied van de Verenigde Staten door Mexico en Midden-Amerika tot in Argentinië en Chili.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Bij een kleine witte reiger eerst naar poten en voeten kijken: zwarte poten met gele voeten wijzen op deze soort of op de kleine zilverreiger. Op de Kleine Antillen, vooral op Barbados en Antigua, zijn daarna teugelkleur en kopveren nodig om de twee te scheiden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De populaties hebben zich hersteld van de jacht op pluimen rond 1900. Plaatselijk leiden het verdwijnen van wetlands en mangrove en verstoring van kolonies tot achteruitgang.
Wetenschappelijke naam
Egretta thula | (Molina, 1782)
Molina beschreef de soort in 1782 als Ardea Thula; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Egretta werd in 1817 ingevoerd door Forster. Egretta komt van het Provençaalse aigrette, de naam voor de kleine zilverreiger, een verkleinvorm van aigron 'reiger'. thula is de Mapudungun-naam voor de zwarthalszwaan, door de Chileense natuuronderzoeker Juan Ignacio Molina (1740–1829) in 1782 abusievelijk op deze zilverreiger toegepast. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Chili.





