Alle soorten › Steltloperachtigen › Kluten › Amerikaanse kluut
Amerikaanse kluut | Recurvirostra americana
American Avocet | Avoceta americana
De Amerikaanse kluut is een grote, slanke steltloper met een zwart-wit verenkleed, lange blauwgrijze poten en een dunne, opgewipte snavel. Hij broedt in het westen van Noord-Amerika en is in het Caribisch gebied vooral een schaarse wintergast. Alleen op Cuba is hij het hele jaar aanwezig, met vastgestelde broedgevallen.
Geluid
Een hard, nasaal wiet of kliet, vaak herhaald, vooral bij verstoring en in de vlucht. In de winter meestal stil.
Opname: Craig Robertson — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
43–47 cm, met een lange hals en een dunne, zwarte, duidelijk omhoog gebogen snavel. Rug en vleugels zijn zwart-wit getekend: over de rug lopen twee brede zwarte banen en de vleugel heeft een grote witte vlek, de rest van het lichaam is wit. In het broedkleed zijn kop, hals en borst warm roestoranje; in het winterkleed, waarin de meeste vogels in het gebied worden gezien, zijn die wit met een grijze waas. Het vrouwtje heeft een kortere, sterker gebogen snavel dan het mannetje. In de vlucht steken de poten ver achter de staart uit en is het zwart-witte vleugelpatroon van ver zichtbaar.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse steltkluut Himantopus mexicanus is zwart van boven en wit van onder, met een rechte naaldsnavel en veel langere, roze poten. De marmergrutto Limosa fedoa kan op afstand in vergelijkbare groepjes foerageren, maar is warmbruin, met een dikkere, tweekleurige snavel en zonder zwart-wit in de vleugel.
Leefgebied
Ondiep, vaak zout of brak water met kale oevers: zoutpannen, lagunes, getijdenslikken, binnenlandse zoutmeren en ondergelopen rijstvelden. Foerageert lopend door ondiep water door de snavel met zijwaartse, maaiende bewegingen door water en bovenste sliblaag te halen, en pikt daarnaast prooien van het oppervlak. Eet vooral kleine kreeftachtigen, insectenlarven en andere ongewervelden. Vaak in groepjes, soms tussen andere steltlopers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Op Cuba vrij schaars maar het hele jaar aanwezig, vooral in zoutpannen en lagunes langs de kust en op de cayos; broedgevallen zijn er vastgesteld. Op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden en de Kaaimaneilanden een schaarse tot onregelmatige wintergast, die soms langer op één plek blijft. Op Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico en Anguilla een zeldzame wintergast. In de rest van de Kleine Antillen, op de ABC-eilanden en op Tobago een dwaalgast. Buiten het gebied broedt hij in het westen en midden van Noord-Amerika en overwintert hij langs de kusten van de Verenigde Staten en Mexico, in kleiner aantal tot in Midden-Amerika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het best te zoeken in de zoutpannen en lagunes van Cuba en de Bahama's, waar de vogels tussen andere steltlopers in ondiep water foerageren. Een groepje kluten valt op afstand op doordat de vogels in hetzelfde ritme lopen en maaien. De opgewipte snavel is pas van dichterbij goed te zien; in de vlucht is het vleugelpatroon het zekerste kenmerk.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De wereldpopulatie wordt als stabiel beschouwd. In het Caribisch gebied gaat het om kleine aantallen, en de soort is hier vooral afhankelijk van ongestoorde zoutpannen en lagunes; het opvullen en bebouwen van zulke kustwetlands is de belangrijkste bedreiging.
Wetenschappelijke naam
Recurvirostra americana | Gmelin, 1789
Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Recurvirostra werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Recurvirostra is Latijn, van recurvus 'naar boven gebogen' en rostrum 'snavel', naar de opgewipte snavel. americana is Latijn voor 'Amerikaans'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Amerika.



