Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Amerikaanse regenwulp
Amerikaanse regenwulp | Numenius hudsonicus
Hudsonian Whimbrel | Zarapito trinador americano
De Amerikaanse regenwulp is de wulp van het Caribisch gebied: een grote, bruine steltloper met een lange, gebogen snavel die langs rotskusten, wadplaten en mangrove foerageert. Hij werd lang als ondersoort van de regenwulp behandeld en wordt nu door de meeste lijsten als aparte soort gezien. Met satellietzenders is aangetoond dat vogels van deze soort in één vlucht van Canada over de Atlantische Oceaan naar Zuid-Amerika trekken en daarbij de Kleine Antillen passeren.
Geluid
Een snelle, gelijkmatige reeks heldere fluittonen, pi-pi-pi-pi-pi-pi-pi, vaak bij het opvliegen en in vlucht. Ook een korte, zachte kur-li.
Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
37–47 cm. Grijsbruin, met een lange, in het buitenste deel sterk neergebogen snavel. De kop toont twee donkere kruinstrepen met een lichte middenstreep, een lichte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. Hals en borst zijn fijn gestreept, de buik is lichter. De bovendelen zijn bruin met lichte vlekjes. In vlucht is de hele bovenkant, inclusief stuit en onderrug, egaal bruin, en zijn ondervleugel en oksels kaneelbruin gebandeerd. De seksen zijn gelijk; vrouwtjes hebben gemiddeld een langere snavel.
Verwarringssoorten
De regenwulp Numenius phaeopus, een zeer zeldzame dwaalgast, heeft een witte onderrug en stuit die in vlucht als een wig zichtbaar is, en een lichtere ondervleugel. De marmergrutto Limosa fedoa is warmer kaneelkleurig en heeft een rechte of licht opgewipte, tweekleurige snavel zonder kruinstrepen. De willet Tringa semipalmata heeft een rechte snavel en in vlucht een zwart-wit vleugelpatroon.
Leefgebied
Rotskusten en kalkplateaus aan zee, wadplaten, zoutpannen, mangroveranden en zandstranden; soms op kort grasland bij de kust. Hij eet vooral krabben, die hij met de gebogen snavel uit holen en spleten trekt, en verder andere kreeftachtigen, wormen en weekdieren. Rust in groepjes op rotsen, in mangrove of op zandbanken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Wintergast en doortrekker in het hele gebied. Op de ABC-eilanden, in Trinidad en Tobago, op Puerto Rico, de Maagdeneilanden en de Kleine Antillen vrij algemeen; op Cuba, Hispaniola, Jamaica, de Kaaimaneilanden, de Bahama's en de Turks- en Caicoseilanden minder talrijk, vooral als doortrekker. Ook van San Andrés bekend. Buiten het gebied broedt de soort in Alaska, het noordwesten van Canada en rond de Hudsonbaai, en overwintert ze langs de kusten van het zuiden van de Verenigde Staten, Midden-Amerika en Zuid-Amerika tot in Chili en Brazilië.
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Rotskusten en kalkplateaus langs de branding zijn kansrijk, net als zoutpannen op de ABC-eilanden en de Maagdeneilanden. De vogels zijn schuw en vliegen roepend weg; de bruine stuit is in vlucht het belangrijkste verschil met de regenwulp.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd volgens de beoordeling van de regenwulp in ruime zin; als aparte soort is ze nog niet beoordeeld. Tellingen in Noord-Amerika wijzen op een afname. Op Guadeloupe werden in 2011 twee vogels met satellietzender geschoten, wat leidde tot aandacht voor de jacht op steltlopers in de Kleine Antillen; op Barbados worden regenwulpen nog in klein aantal geschoten.
Wetenschappelijke naam
Numenius hudsonicus | Latham, 1790
Latham beschreef de soort in 1790 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Numenius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Numenius is Grieks, van neos 'nieuw' en mēnē 'maan', naar de snavel die aan een wassende maan doet denken; noumēnios is bij Hesychius de naam van een vogel. hudsonicus betekent 'van de Hudsonbaai' in Canada, de typelocatie. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hudsonbaai, Canada.





