Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Amerikaanse zilvermeeuw

Amerikaanse zilvermeeuw | Larus smithsonianus

American Herring Gull | Gaviota argéntea americana

De Amerikaanse zilvermeeuw is de grote meeuw die in het Caribisch gebied het vaakst te zien is. De meeste wintergasten zijn onvolwassen vogels; volwassen exemplaren blijven vaker verder naar het noorden. Ze wordt door Europese en sommige andere autoriteiten als aparte soort beschouwd, door andere als ondersoort smithsonianus van de zilvermeeuw Larus argentatus.

Amerikaanse zilvermeeuw (Larus smithsonianus)
Foto: Dick Daniels (http://theworldbirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, lachend kjauw-kjauw-kjauw, een kort ga-ga-ga bij onrust en een lange roep met achterovergeworpen kop.

Luister: VluchtroepXC1094948

Opname: Valerie Heemstra — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

53–66 cm, groot en zwaar, met een krachtige snavel; mannetjes zijn duidelijk groter dan vrouwtjes. Volwassen vogels hebben een lichtgrijze mantel, een witte kop met in de winter bruine streping, zwarte vleugelpunten met witte spiegels, een licht oog, een gele snavel met rode vlek en roze poten. Het volwassen kleed wordt in het vierde jaar bereikt. Jonge vogels in hun eerste winter zijn vrij egaal donker grijsbruin, met een bruine, donker gebandeerde stuit, een grotendeels donkere staart, een donkere snavel en roze poten; de binnenste handpennen vormen in vlucht een lichter venster. Oudere onvolwassen vogels krijgen geleidelijk een grijze mantel, een lichtere kop en een lichte snavel met donkere punt.

Verwarrings­soorten

De ringsnavelmeeuw Larus delawarensis is kleiner, met een slankere snavel met zwarte ring en gele poten; jonge vogels hebben al vroeg een grijze mantel en een witte staart met smalle band. De kleine mantelmeeuw Larus fuscus heeft als volwassen vogel een donkergrijze mantel en gele poten; jonge kleine mantelmeeuwen hebben een wittere stuit en staartbasis met een scherp begrensde staartband en donkere binnenste handpennen. Jonge grote mantelmeeuwen Larus marinus zijn groter, met een zwaardere zwarte snavel, een lichtere, meer geblokte kop en onderdelen en een wittere stuit.

Leefgebied

Havens, stranden, getijdenvlakten, zoutpannen en lagunes, vuilnisbelten en vissershavens. Eet vis, krabben en andere ongewervelden, aas en afval, en steelt voedsel van andere vogels. Rust op stranden, zandbanken en pieren, vaak tussen ringsnavelmeeuwen en lachmeeuwen.

Verspreiding en trek

Wintergast op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola en Puerto Rico; op Cuba, waar ze gallego heet, de algemeenste grote meeuw, vooral langs de noordkust. Op de Maagdeneilanden en in de Kleine Antillen zeldzaam en niet op elk eiland vastgesteld; ook gemeld op Trinidad en Tobago. Buiten het gebied broedt de soort van Alaska en Canada tot het noordoosten van de Verenigde Staten en overwintert ze langs de kusten en grote meren van Noord-Amerika, zuidelijk tot Mexico en Midden-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het meest kansrijk in havens en bij visaanlandplaatsen en vuilnisbelten op Cuba en de Bahama's, tussen november en april. Bij een donkere, grote jonge meeuw letten op de bruine, gebandeerde stuit en de grotendeels donkere staart.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populatie groeide in de twintigste eeuw sterk dankzij afval en visserijafval, maar neemt in delen van het broedgebied weer af nu stortplaatsen worden afgedekt en de visserij verandert.

Wetenschappelijke naam

Larus smithsonianus | Coues, 1862

Coues beschreef de soort in 1862 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. smithsonianus verwijst naar het Smithsonian Institution in Washington, genoemd naar de Britse chemicus James Smithson (1765–1829). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Amerika (niet nader bepaald).