Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Azuurzanger

Azuurzanger | Setophaga cerulea

Cerulean Warbler | Reinita cerúlea

De azuurzanger is een kleine zanger van het hoge bladerdak. Hij broedt in loofbos in het oosten van Noord-Amerika en overwintert in de Andes van Zuid-Amerika. In het Caribisch gebied verschijnt hij vooral in het najaar, wanneer een deel van de vogels via Florida en Cuba over de Caribische Zee trekt; in het voorjaar volgen de meeste de route over Midden-Amerika. De soort is sterk achteruitgegaan.

Azuurzanger (Setophaga cerulea)
Foto: lwolfartist — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een droog, kort tsjip; in de vlucht een zoemend zie. De zang, op de eilanden zelden te horen, is een reeks zoemende noten die versnelt en eindigt in een hoge triller: zrie zrie zrie zrrrrie.

Luister: VluchtroepXC1136328

Opname: Matt Wistrand — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm, compact, met een korte staart. Het mannetje is hemelsblauw boven, met zwarte strepen op de rug, twee witte vleugelstrepen en een witte keel en buik, een smalle donkere band over de borst en blauwgrijze strepen langs de flank. Het vrouwtje is blauwgroen boven, met een lichte wenkbrauwstreep, twee witte vleugelstrepen en vuilwitte tot geelachtige onderdelen met vage flankstrepen. Jonge vogels in het najaar zijn groener en geler, maar hebben ook de lichte wenkbrauwstreep en de vleugelstrepen. Beide seksen hebben witte staartvlekken.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de blauwe zwartkeelzanger Setophaga caerulescens is donkerder blauw, met een zwarte keel en flanken en zonder vleugelstrepen. De brilparulazanger Setophaga americana heeft een gele keel en borst, een groene rugvlek en witte oogboogjes. Vrouwtjes en jonge vogels kunnen lijken op de zwartkopzanger Setophaga striata en de Tennesseezanger Leiothlypis peregrina, maar de blauwgroene tint van kop en rug en de korte staart zijn kenmerkend.

Leefgebied

Op doortrek in de kronen van allerlei bos, ook in hoge bomen in kustbos, parken en tuinen; vaak in gemengde groepen met andere zangers. Foerageert hoog in de kronen. Overwintert in Zuid-Amerika in vochtig bergbos op middelhoogte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Zeldzame doortrekker op de Bahama's, Cuba, Jamaica en de Kaaimaneilanden, vooral in het najaar. Elders een dwaalgast, met verspreide waarnemingen op Hispaniola, Puerto Rico, de Maagdeneilanden, in de Kleine Antillen en op Trinidad en Tobago. Broedt in het oosten van de Verenigde Staten en het uiterste zuidoosten van Canada; overwintert in de Andes van Colombia en Venezuela tot Peru en Bolivia.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is in het najaar op Cuba en de Bahama's, in hoge bomen bij gemengde groepen trekkende zangers. Vaak is van onderen alleen de witte onderkant met de smalle borstband en de flankstrepen te zien.

Staat van instandhouding

Gevoelig volgens de IUCN; de populatie neemt af. Volgens tellingen in het broedgebied was de populatie in 2006 tot minder dan een vijfde van het niveau van veertig jaar eerder gedaald. Oorzaken zijn verlies en versnippering van loofbos in het broedgebied, onder meer door mijnbouw in de Appalachen, en het omzetten van bergbos in landbouwgrond in de Andes.

Wetenschappelijke naam

Setophaga cerulea | (Wilson, 1810)

Wilson beschreef de soort in 1810 als Sylvia cerulea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. cerulea is Latijn, van caeruleus 'hemelsblauw', naar de blauwe bovendelen van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Philadelphia, Pennsylvania, Verenigde Staten.