Alle soorten › Zangvogels
Zangvogels | Passeriformes
Passerines | Paseriformes
Je herkent deze vogels aan de voet: drie tenen naar voren, één krachtige achterteen op dezelfde hoogte, met een pees die zich vanzelf strak trekt zodra het been buigt, zodat een slapende vogel op zijn tak blijft zitten. De stemkop is ingewikkeld gebouwd, met meerdere paren spieren, en daaraan danken de meeste soorten hun uitgewerkte zang. In het gidsgebied staan ruim 350 soorten uit ongeveer 35 families in deze orde, bijna de helft van alle soorten. Een groot deel bestaat uit trekvogels uit Noord-Amerika, vooral zangers, vireo's en lijsters, die hier overwinteren of doortrekken. Daarnaast heeft vooral Hispaniola enkele families die alleen hier voorkomen, zoals de palmtapuit, en ook Cuba en Puerto Rico hebben elk een eigen kleine familie. Trinidad en Tobago voegen Zuid-Amerikaanse groepen toe, zoals mierklauwieren, ovenvogels en manakins. De glanskoevogel, die uit Zuid-Amerika over de eilanden is uitgebreid, legt zijn eieren in de nesten van veel andere zangvogels.
Families in deze orde
- Manakins | Pipridae3 soortenManakins zijn kleine, gedrongen zangvogels van tropisch bos met een korte staart en een korte, brede snavel. In het gidsgebied komt de familie alleen op Trinidad en Tobago voor, met drie soorten: de baardmanakin en de goudkopmanakin op Trinidad en de blauwrugmanakin op Tobago. De mannetjes zijn grotendeels zwart of zwart en wit, met een felgekleurde kop, kruin of rug; de vrouwtjes en jonge mannetjes zijn egaal olijfgroen en onderling lastig te onderscheiden. Het voedsel bestaat vooral uit kleine bessen en vruchten, aangevuld met insecten. De mannetjes nemen geen deel aan de broedzorg en baltsen op vaste plekken in het bos, alleen of in groepen. Daarbij maken ze snelle sprongen tussen takjes en laten ze knappende, zoemende of klikkende geluiden horen, die bij de baardmanakin met de vleugels worden gemaakt. Het vrouwtje bouwt alleen een ondiep, hangend nestkommetje in een horizontale vork en broedt doorgaans twee eieren uit. Herkenning gaat het snelst op het geluid en op de kleur van het mannetje.
- Cotinga's | Cotingidae1 soortCotinga's vormen een gevarieerde familie van fruitetende zangvogels van tropisch Amerika. In het gidsgebied is de familie vertegenwoordigd door één soort, de baardklokvogel, die op Trinidad in het bos van de heuvels en bergen leeft. Het mannetje is grotendeels wit met een bruine kop en draagt aan de keel een bos zwarte, draadvormige vleeslellen; het vrouwtje is olijfgroen met geelachtige, gestreepte onderdelen en valt in het blad weinig op. De vogels hebben een brede bek waarmee ze vrij grote vruchten in hun geheel doorslikken; de pitten worden later uitgebraakt of uitgescheiden, zodat ze een rol spelen bij de verspreiding van bomen. Het mannetje roept vanaf een vaste, hoge zitplaats in de kruin met een zeer luide, metaalachtige slag en een reeks klinkende tonen, die van ver door het bos te horen zijn en meestal het eerste teken van de soort zijn. Alleen het vrouwtje bouwt het nest, een dun platform van takjes, en zorgt voor het enige ei en het jong. Herkenning gaat vrijwel altijd via de roep.
- Tityra's en becards | Tityridae3 soortenDe tityra's en bekarden zijn middelgrote zangvogels van bosranden en kronendak, met een grote kop, een forse, licht gehaakte snavel en een vrij korte staart. In het gidsgebied komen drie soorten voor. De Jamaicaanse bekard is endemisch op Jamaica en leeft daar in bos en beboste tuinen; het mannetje is zwart, het vrouwtje bruin met een roestkleurige kop. Op Trinidad en Tobago leven de zwartstaarttityra en de witvleugelbekard. Tityra's zijn grotendeels wit of lichtgrijs met zwart en hebben rond het oog en aan de snavelbasis een kale, roze tot rode huid; ze laten korte, knorrende of krassende roepen horen. Bekarden zijn kleiner en hebben zachte, fluitende of tjilpende roepen. De familie eet grote insecten en vruchten, die ze vanaf een uitkijkpost of al fladderend van het blad plukken. Bekarden bouwen een groot, bolvormig nest van plantenmateriaal met een ingang aan de zijkant of onderkant, vaak hoog aan een uiteinde van een tak; tityra's broeden in een boomholte. Herkenning gaat op silhouet, snavel en kleurpatroon.
- Tirannen | Tyrannidae66 soortenTirannen vormen met 66 soorten de grootste zangvogelfamilie van het gidsgebied. De snavel is meestal plat en breed, met borstels aan de basis, en veel soorten jagen vanaf een vaste uitkijkpost op vliegende insecten, die ze in een korte uitval vangen; vruchten vormen een aanvulling, bij elaenia's een belangrijke. Het verenkleed is vaak grijs, olijf, bruin of geel. Op de eilanden zijn het vooral de koningstirannen, zoals de overal algemene grijze koningstiran en de dikkopkoningstiran van de Grote Antillen en de Bahama's, de Myiarchus-soorten met diverse eilandendemen zoals de Puerto Ricaanse tiran en de La Sagra-tiran, de Caribische elaenia en de piewies van het geslacht Contopus, zoals de Cubaanse piewie. In de trektijd en winter komen Noord-Amerikaanse soorten als Empidonax-vliegenvangers erbij. Trinidad en Tobago hebben daarnaast Zuid-Amerikaanse bossoorten, van piepkleine schoffelbekjes tot de grote kiskadie. De zang wordt niet aangeleerd en is per soort vast, en daarmee vaak het beste kenmerk bij gelijkende soorten. De meeste bouwen een open kom, Myiarchus broedt in holten.
- Mierklauwieren | Thamnophilidae8 soortenMierklauwieren zijn zangvogels van tropisch Amerika die in het gidsgebied alleen op Trinidad en Tobago voorkomen, met acht soorten. Ze leven in het struikgewas en de lagere en middelste lagen van bos, bosranden en mangrove. De bouw loopt uiteen van kleine, fijngebouwde miersluipers tot forse mierklauwieren met een zware, aan de punt gehaakte snavel, zoals de grote mierklauwier. Bij veel soorten verschillen de seksen duidelijk: het mannetje is zwart, grijs of zwart-wit gestreept, zoals bij de gestreepte mierklauwier, het vrouwtje bruin of roestkleurig. De vogels zoeken insecten en andere ongewervelden tussen blad en takken en in de strooisellaag; sommige soorten volgen zwermende mieren om opgejaagde insecten te vangen. De zang bestaat uit eenvoudige, vaak versnellende reeksen fluittonen of ratels, die per soort vastliggen en in dicht gebladerte het belangrijkste kenmerk vormen. Het nest is meestal een open kommetje dat in een horizontale vork hangt; beide ouders broeden en voeren de jongen. Herkenning gaat op geluid, snavelvorm en het kleurpatroon van beide seksen.
- Miervogels | Formicariidae1 soortMierlijsters zijn bodembewonende zangvogels van tropisch Amerika. In het gidsgebied komt één soort voor, de zwartmaskermierlijster, die op Trinidad in vochtig bos leeft. De vogel heeft een gedrongen romp, lange poten, een vrij korte, rechte snavel en een korte staart die bij het lopen schuin omhoog wordt gehouden. Het verenkleed is overwegend bruin met een donkerder gezicht en keel. In houding en gang lijkt de vogel meer op een kleine ral dan op een lijster: hij loopt rustig en schokkerig over het bladstrooisel en draait daarbij blad om op zoek naar insecten, spinnen en andere kleine ongewervelden. Omdat de soort weinig opvalt en zelden vliegt, is de zang vaak het enige teken van aanwezigheid: een heldere, fluitende toon gevolgd door een reeks kortere, dalende fluittonen. Het nest ligt in een holte in een boomstam of stronk, vaak dicht bij de grond, en beide ouders delen de broedzorg. Herkenning gaat in de praktijk vooral op de zang en de lopende, ralachtige houding.
- Ovenvogels en boomklimmers | Furnariidae10 soortenOvenvogels vormen een grote familie van tropisch Amerika, waartoe ook de muisspechten behoren. In het gidsgebied komt de familie alleen op Trinidad en Tobago voor, met tien soorten. Bijna alle soorten zijn bruin, roestkleurig of olijfbruin, vaak met lichte strepen of vlekken, en verschillen onderling vooral in bouw, snavel en gedrag. De muisspechten, zoals de cacaomuisspecht, de bruine muisspecht en de rechtsnavelmuisspecht, klimmen als een specht langs stammen omhoog en steunen daarbij op een stijve staart met verlengde schachten; met de snavel zoeken ze insecten in schors en mos. Stekelstaarten, zoals de geelkinstekelstaart en de bleekborststekelstaart, zijn kleine, langstaartige vogels van struikgewas en moeras die grote, gesloten nesten van takjes bouwen. Daarnaast komen een bladwoeler, die op de bosbodem in het strooisel zoekt, en een xenops voor. Het voedsel bestaat vooral uit insecten. De zang is meestal eenvoudig, met ratels, trillers of herhaalde tonen,. Muisspechten broeden in boomholten. Herkenning gaat op silhouet, snavel, gedrag en stem.
- Vireo's | Vireonidae19 soortenVireo's zijn kleine tot middelgrote zangvogels die alleen in Amerika voorkomen; in het gidsgebied gaat het om negentien soorten. Uiterlijk houden ze het midden tussen een zanger en een klein klauwiertje: groenig of grijs boven, bleek onder, met een steviger snavel dan een zanger heeft en een klein haakje aan de punt. De tekening van kop, oogring en oogstreep is het belangrijkste kenmerk. Ze bewegen traag door het bladerdak, waar ze rupsen en andere insecten van de bladeren plukken en ook bessen eten. De zwartbaardvireo broedt op vrijwel alle eilanden en trekt na de broedtijd grotendeels naar Zuid-Amerika. De Grote Antillen hebben eigen soorten, zoals de Cubaanse vireo, twee soorten op Jamaica, de platsnavelvireo van Hispaniola en de Puerto Ricaanse vireo; de diksnavelvireo leeft op de Bahama's, Cuba en de Caymaneilanden. In de winter komen Noord-Amerikaanse soorten als de witoogvireo erbij, en op Trinidad leven de roodbrauwklauwiervireo en twee kleine groenvireo's.
- Kraaiachtigen | Corvidae6 soortenDe grootste en zwaarstgebouwde zangvogels, met een krachtige snavel voor alle werk, borstelveertjes over de neusgaten en stevige poten waarmee ze zowel lopen als huppen. Ze eten vrijwel alles, verstoppen voedsel voor later en onthouden waar het ligt; hun hersenen zijn naar verhouding de grootste van alle vogels, wat te zien is aan het gemak waarmee ze werktuigen, kadavers en menselijke gewoonten benutten. Een echte zang ontbreekt — de roep is hard en schor — maar veel soorten bootsen andere geluiden na. De partners blijven jaren bij elkaar, bouwen een omvangrijk takkennest en zien er onderling gelijk uit.
- Zwaluwen | Hirundinidae16 soortenVogels die hun voedsel uitsluitend in de lucht vangen, en daar helemaal op gebouwd zijn: lange spitse vleugels, een zeer korte platte snavel met een enorme mondspleet, en kleine zwakke pootjes met korte loopbenen, waarmee ze wel kunnen zitten maar nauwelijks lopen. Drinken en baden doen ze scherend over het water. Het nest is een kommetje of gesloten pot van modderpakketjes tegen een wand, een zelfgegraven gang in een steile oever, of een holte — vaak in kolonies bij elkaar. Het zijn trekvogels die zich in de nazomer boven riet en draden verzamelen; anders dan de gierzwaluwen, waar ze in de lucht op lijken, zijn het gewone zangvogels die op een draad gaan zitten.
- Palmtapuit | Dulidae1 soortDeze familie telt één soort, de palmtapuit, die alleen op Hispaniola en enkele nabijgelegen eilandjes voorkomt. Het is een gedrongen zangvogel van bijna twintig centimeter met olijfbruine bovendelen, een groenige zweem op stuit en vleugels en een roomwitte onderzijde met dichte bruine lengtestrepen. De snavel is kort, zwaar en geelachtig, het oog rood. Palmtapuiten leven het hele jaar in luidruchtige groepen in open landschap met verspreide palmen, in tuinen, parken en droog bos, van de laaglanden tot in het middengebergte. Het voedsel bestaat vooral uit vruchten, bessen en bloemen. Kenmerkend is het gemeenschappelijke nest: een grote massa takjes, vaak in de kruin van een koningspalm, waarin meerdere paren elk een eigen kamer met eigen ingang hebben. Rond zo'n nest klinkt voortdurend gekwetter en gesnater. De familie wordt verwant geacht aan de pestvogels en de zijdevliegenvangers. In het gidsgebied is de soort door de combinatie van zware snavel, gestreepte borst en groepsgedrag met geen andere te verwarren.
- Pestvogels | Bombycillidae1 soortGedrongen zangvogels met een opvallend zacht, dicht verenkleed zonder vlekken of strepen, een kuif, een zwart masker en een korte snavel met een wijde bek. De rode, hoornachtige plaatjes aan de toppen van de armpennen, waar de familie haar naam aan dankt, komen bij geen andere vogelgroep voor; de staart eindigt in een felle gele of rode band. Het grootste deel van het jaar leven ze van bessen, die heel worden doorgeslikt en in enkele minuten door een korte darm gaan, zodat een troep enorme hoeveelheden kan verwerken; in de broedtijd vangen ze insecten in de lucht boven water. Een voedselterritorium verdedigen ze niet en een echte zang hebben ze niet, alleen hoge, zilverige trillers waarmee de troep bij elkaar blijft. Het nest is een losse kom van takjes, mos en korstmos op een zijtak, en het broedgebied verschuift van jaar tot jaar met het bessenaanbod.
- Goudhaantjes | Regulidae1 soortZeer kleine, bolronde vogels met een korte staart en een naaldfijn snaveltje, waarmee ze springstaarten, bladluizen en spinneneitjes tussen naalden en schorsspleten wegpikken, meestal hangend onder een takuiteinde en soms even biddend voor het blad. Kenmerkend is de kruin: een gele tot vuurrode streep die aan weerszijden zwart is omzoomd en die bij balts en dreiging wordt opgezet; de koptekening geeft bij elke soort de doorslag. De stem ligt uitzonderlijk hoog, rond de acht kilohertz, zo hoog dat oudere waarnemers de familie niet meer horen. Het nest is een diep, hangend kommetje van mos, korstmos en spinrag onder een naaldtak, van binnen met honderden veertjes gevoerd, met acht tot elf eieren — een groot legsel voor zo'n klein lichaam. In winternachten kruipen de vogels dicht tegen elkaar om warmte te sparen.
- Muggenvangers | Polioptilidae3 soortenMuggenvangers zijn kleine, slanke zangvogels met een dunne snavel en een lange staart die voortdurend wordt opgewipt en zijwaarts bewogen, waarbij de witte buitenste staartpennen zichtbaar worden. In het gidsgebied komen drie soorten voor. De blauwgrijze muggenvanger broedt op de Bahama's en komt in de winter ook voor op Cuba, de Caymaneilanden en andere noordelijke eilanden; hij is blauwgrijs van boven en vuilwit van onder, met een witte oogring. De Cubaanse muggenvanger is endemisch voor Cuba en leeft vooral in droog kustbos en struweel; hij is te herkennen aan een zwarte halvemaan achter het oor. Op Trinidad leeft de langsnavelmuggensluiper, een bruine vogel met een zeer lange, rechte snavel en een kort opgestoken staart, die in dicht struikgewas foerageert en een droge triller laat horen. Alle soorten zoeken actief naar kleine insecten en spinnen tussen het blad. Het nest is een klein, diep kommetje van plantenvezels, spinrag en korstmossen. De familie is verwant aan de winterkoningen.
- Winterkoningen | Troglodytidae8 soortenZeer kleine, bolle vogels met korte ronde vleugels en een korte staart die vaak rechtop wordt gedragen, en met een fijne, licht gebogen snavel om insecten uit spleten te peuteren. Ze bewegen zich muisachtig door de onderste laag van bos, houtwallen, muren en oevers, glippen weg in wortelkluiten en houtstapels, en houden zich meer op de grond dan in de struik op. De zang is voor zo'n klein lichaam buitengewoon luid: een lange, harde roffel met een ratel erin, jaarrond te horen. Het nest is een overdekte bol met de ingang opzij, waarvan het mannetje er meerdere bouwt zodat het vrouwtje kan kiezen; op één soort na leeft de hele familie in Amerika.
- Spotlijsters | Mimidae10 soortenMiddelgrote, slanke zangvogels met een lange staart, stevige poten en een vaak licht gebogen snavel, waarmee ze veel op de grond in het bladstrooisel werken. Aan het imiteren dankt de familie haar naam; vooral de spotlijsters nemen de roepen en zangstrofen van andere vogels over. De zang is lang en herhalend, met frasen die vaak meermaals achtereen worden gebracht. De familie komt alleen in Amerika voor; in het gidsgebied leven negen soorten. De noordelijke spotlijster is algemeen op de Grote Antillen en de Bahama's, de tropische spotlijster op de Kleine Antillen en Trinidad en Tobago, en de Bahamaspotlijster op de Bahama's en enkele eilandjes bij Cuba en Jamaica. Vier geslachten zijn Caribisch: de pareloogspotlijster, die in holten broedt en ook eieren en jongen van andere vogels eet, de geschubde spotlijster, de twee trilspotlijsters met hun lange snavel en hangende vleugels, en de witborstspotlijster van Martinique en Saint Lucia. De katvogel is een wintergast uit Noord-Amerika.
- Spreeuwen | Sturnidae1 soortStevige vogels met een rechte, spitse snavel en krachtige poten; ze lopen doelgericht over de grond in plaats van te huppen. Voedsel zoeken ze door de gesloten snavel in de zode te steken en hem daar met kracht open te duwen — de kaakspieren zijn daarop gebouwd en de ogen staan zo ver naar voren dat de vogel langs de geopende snavel omlaag kan kijken. Het verenkleed is bij veel soorten metaalglanzend, een glans die uit de bouw van de veer komt en niet uit kleurstof, vaak met lichte stippen. Ze zijn uitgesproken groepsdieren: troepen op zoek naar voedsel, gezamenlijke slaapplaatsen, en broedholtes vlak bij elkaar; veel soorten zijn goede imitators.
- Lijsters | Turdidae20 soortenMiddelgrote vogels met een rechtop gedragen lijf, lange stevige poten en een matig lange, slanke snavel. Op de grond werken ze in korte etappes: een paar sprongen, stilstaan, luisteren en kijken, dan toeslaan. Ze eten ook veel vruchten. Het nest is een stevige kom, bij veel soorten van binnen met modder bepleisterd; jonge vogels zijn gevlekt, ook als de ouders effen zijn. In het gidsgebied leven twintig soorten. De roodpootlijsters van de Grote Antillen en de Bahama's zijn algemeen, en daarnaast zijn er eilandsoorten als de La Selle-lijster van Hispaniola, twee eigen lijsters op Jamaica en de boslijster van enkele Kleine Antillen. De solitairs, met hun heldere, fluitende zang, leven in bergbossen van Cuba, Jamaica, Hispaniola en enkele Kleine Antillen. De brilijster komt op de zuidelijke Kleine Antillen en Trinidad voor, waar ook Zuid-Amerikaanse lijsters leven. Noord-Amerikaanse Catharus-lijsters trekken door; de Bicknells lijster overwintert vooral op Hispaniola.
- Wevers | Ploceidae3 soortenKleine tot middelgrote zaadeters met een korte, zware kegelsnavel en stevige poten, die hun nest niet stapelen maar knopen. Het mannetje begint met een ring: hij scheurt een smalle reep uit een gras-, riet- of palmblad, slaat die om een stengel of een dunne tak en trekt het uiteinde met de snavel door de lus; vanaf die ring werkt hij naar voren en naar achteren verder tot er een gesloten bol staat, met de opening onderin en bij een aantal soorten een tuit van tientallen centimeters eronder. Snavel en poot dienen daarbij als weefgetouw, en het werk kost twee tot drie dagen; het vrouwtje bouwt niet mee maar keurt en bekleedt de binnenkant, en keurt zij af, dan wordt het nest afgebroken en opnieuw begonnen. Niet alle leden van de familie weven: de buffelwevers stapelen een massa doornige takken rond de kroon van een baobab of een mast, en de republikeinwever bouwt met vele paren samen één permanente grashoop van soms honderden kilo's onder een boomkroon of een paal, met tientallen afzonderlijke ingangskokers aan de onderzijde, waarin de kolonie ook buiten de broedtijd slaapt. Bij de bisschoppen en wida's van het geslacht Euplectes ruit het mannetje in de regentijd naar een kortstondig zwart met rood, geel of oranje kleed, met opgezet rug- en stuitdons of met sterk verlengde staartpennen, en valt het daarna terug in een gestreept, muskleurig kleed dat nauwelijks van het vrouwtje te onderscheiden is. De familie broedt in kolonies, van enkele nesten in een doornboom tot broedplaatsen van miljoenen paren in riet of doornstruweel; de kolonies trekken roofvogels, slangen en de diederikkoekoek aan, die zijn ei bij een reeks soorten van deze familie legt.
- Wida's | Viduidae1 soortKleine zaadeters met een dikke, vaak koraalrode kegelsnavel, die zelf geen nest bouwen en geen jongen grootbrengen. Het vrouwtje legt haar witte eieren bij prachtvinken in het nest; het waardpaar broedt ze uit en voert het vreemde jong samen met de eigen jongen op, want er wordt niets uit het nest gewerkt. Dat kan doordat het jong tot in de details bij zijn waardvogel past: dezelfde stippen, vlekken en gekleurde knobbels achter in de opengesperde bek, dezelfde bedelhouding en hetzelfde bedelgeluid als de nestgenoten naast hem. Elke soort is daarbij aan een eigen kring van gastheren gebonden, en de mannetjes nemen de zang van hun waardvogel in het eigen repertoire op, zodat vrouwtjes bij de juiste soort terechtkomen. De mannetjes dragen in de broedtijd zwart, wit en soms verlengde staartpennen, waarmee zij boven het vrouwtje hangend baltsen; buiten de broedtijd zijn alle soorten musachtig gestreept en vrijwel alleen aan de snavelkleur te scheiden.
- Prachtvinken | Estrildidae10 soortenKleine tot zeer kleine zaadeters met een korte, dikke kegelsnavel — bij veel soorten fel koraalrood, bij andere zilvergrijs of blauwzwart — en een gedrongen lijf met korte, ronde vleugels en een snelle, licht golvende vlucht. Ze leven het hele jaar in troepen en halen hun voedsel van de zaadpluim zelf: klauterend, hangend, of de halm met het eigen gewicht omlaag buigend, en verder van de grond eronder. Het nest is een gesloten bal van dooreengevlochten grashalmen met een zijingang, vaak verlengd tot een korte toegangspijp, laag in een graspol, een doornstruik of dicht riet; beide ouders bouwen en broeden om beurten. De jongen dragen achter in de opengesperde bek een vast patroon van zwarte stippen en strepen, met aan de mondhoeken gekleurde knobbels die in het donker van de nestbal oplichten en de ouders wijzen waar het voer heen moet. Dat voer is zaad dat de ouders opgeweekt in de krop aanvoeren en jong voor jong uitgeven.
- Mussen | Passeridae1 soortGedrongen, kortpotige zaadeters met een zware kegelsnavel waarvan de snijranden een graankorrel openknijpen. In de tong zit een klein extra bot, het preglossale, dat als aambeeld dient: de korrel wordt tegen het gehemelte gedraaid, de schil eraf geschild en de kern doorgeslikt, en het hele karwei duurt een seconde. Volwassen vogels leven van zaad; de jongen worden met rupsen en bladluizen grootgebracht. Het nest is een slordige, overdekte bal van halmen, stro en veren, weggepropt in een holte — boomgat, muurspleet, dakpan of het verlaten nest van een andere soort — en staat meestal in losse kolonies, met twee tot vier legsels per jaar. Baden gebeurt in droog stof: de vogel schopt een kuiltje uit en werkt het zand door zijn verenkleed. Verscheidene soorten leven het hele jaar bij mensen, in dorpen, op erven, in steden en bij graanopslag, waar gemorst voer en de bebouwing zelf voedsel en nestholtes leveren.
- Kwikstaarten en piepers | Motacillidae1 soortSlanke, langpotige zangvogels die lopen in plaats van huppen: de voet zet af, de kop knikt mee, en de lange staart wipt daarbij onophoudelijk op en neer — bij de kwikstaarten zo hard dat het hele lichaam meeveert. De snavel is dun, recht en spits, gemaakt om insecten van de grond, van natte stenen of uit de lucht te plukken; de poot is hoog en dun, en bij de piepers is de nagel van de achterteen sterk verlengd, bijna zo lang als de teen zelf, wat houvast geeft in gras en zegge. Twee gedaanten binnen één bouw: de kwikstaarten scherp getekend in zwart, wit, grijs en geel, de piepers bruin en gestreept en onderling vooral aan roep en vleugelformule te scheiden. Het nest is een kommetje op de grond, verstopt onder een pol of in een nis, en de zang gaat de lucht in: opstijgen, zingen, en in een dalende parachutevlucht weer neerkomen.
- Vinkachtigen | Fringillidae9 soortenDe kegelvormige snavel is het kenmerk: het zaad wordt niet doorgeslikt maar gepeld, geklemd in een groef in het gehemelte terwijl de ondersnavel het vlies eraf schuift. Hoe zwaarder de snavel, hoe harder de pit die eraan moet geloven, zodat de vorm van soort tot soort verraadt waarop de vogel is aangewezen. Buiten de broedtijd zwerven ze in troepen door zaadrijke akkers, bossen en oevers, met een golvende vlucht en aanhoudende contactroepjes waaraan ze op afstand te herkennen zijn. Anders dan de meeste zangvogels voeren veel soorten hun jongen niet met insecten maar met opgebraakt zaad, dat ze in een uitstulping van de slokdarm meedragen.
- Amerikaanse gorzen | Passerellidae9 soortenDe gorzen van de Nieuwe Wereld: zaadeters met een korte kegelsnavel, stevige poten en een vrij lange, afgeronde staart, meestal bruin en gestreept van boven. Ze foerageren op de grond in strooisel en onder struiken, met een manier van krabben die de hele familie kenmerkt: beide poten tegelijk naar achteren schuiven in een kort sprongetje. De koptekening is het kenmerk waar de determinatie op draait: kruinbanden, wenkbrauwstreep, oogstreep en baardstreep in vaste patronen. Ze worden sinds omstreeks 2017 in een eigen familie geplaatst, los van de Emberizidae. In het gidsgebied is de familie klein, met negen soorten. De zapatagors komt alleen op Cuba voor, vooral in het Zapata-moeras. De roodkraaggors leeft in de bergen van Hispaniola, en de sprinkhaangors heeft standvogelpopulaties op de Grote Antillen. De overige soorten, zoals de savannahgors, zijn wintergasten of dwaalgasten uit Noord-Amerika, vooral op de Bahama's en Cuba.
- Chattangaren | Calyptophilidae2 soortenDeze familie bestaat uit twee soorten van het geslacht Calyptophilus, de westelijke en de oostelijke chattangare, die beide alleen op Hispaniola voorkomen. Lange tijd werden ze bij de tangaren ingedeeld; op grond van recent genetisch onderzoek zijn ze in een eigen familie geplaatst, die tot een kleine groep Caribische zangvogelfamilies behoort. Het zijn vogels van zo'n twintig centimeter met een lange, afgeronde staart, donker olijfbruine bovendelen, een witte keel en borst en geel of oranjegeel op de teugel, rond het oog en bij de vleugelboeg. Ze leven verborgen in de dichte ondergroei van bergbos en vochtig struikgewas, waar ze laag of op de grond naar insecten, andere ongewervelden en vruchten zoeken. De zang is luid, gevarieerd en vooral in de schemering te horen, en is vaak het enige teken van hun aanwezigheid. De twee soorten verschillen vooral in verspreiding en in details van kleur en formaat. Beide hebben een klein leefgebied en zijn afhankelijk van ongestoord bos.
- Hispaniolatangaren | Phaenicophilidae4 soortenDeze kleine familie is endemisch voor Hispaniola en omvat vier soorten in drie geslachten, die vroeger deels bij de tangaren en deels bij de Amerikaanse zangers werden ingedeeld. De zwartkoppalmtangare is wijdverbreid over het eiland, van droog laaglandbos tot bergbos, tuinen en plantages; de grijskoppalmtangare is beperkt tot het zuidwesten van Haïti. Beide zijn groen van boven met een grijze nek, een witte keel en grijze onderdelen, en hebben een zwarte of grijze kruin met witte vlekjes rond het oog. De groenstaartzanger is een kleine, grijsgroene vogel met witte boogjes boven en onder het oog, een rood oog en een groenige staart, die zowel in droog struweel als in bergbos voorkomt. De witvleugelzanger leeft in vochtig bergbos, heeft een grijze kop en een witte vlek op de vleugel, en is zeldzaam geworden door bosverlies. De soorten foerageren op insecten en vruchten, vaak in gemengde groepen met andere zangvogels, en hebben scherpe, tjilpende roepen.
- Puerto Ricotangare | Nesospingidae1 soortDeze familie telt één soort, de Puerto-Ricaanse tangare, die alleen op Puerto Rico voorkomt. De soort werd lang tot de tangaren gerekend, maar is op grond van genetisch onderzoek in een eigen familie geplaatst, die tot een kleine groep Caribische zangvogelfamilies behoort. Het is een vogel van ongeveer achttien centimeter met olijfbruine bovendelen, een donkerder kop, een vuilwitte onderzijde met vage bruinige strepen op de borst en een kleine witte vlek op de vleugel, waaraan de wetenschappelijke naam speculiferus refereert. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit. De soort leeft in vochtig bergbos en bos op middelhoogte in de bergketens van het eiland, en is daar vaak talrijk. Puerto-Ricaanse tangaren trekken in luidruchtige groepen door het bos en vormen vaak de kern van gemengde groepen zangvogels. Ze eten vruchten, zaden en insecten, die ze op alle hoogten in het bos zoeken. De roep is een droog, schor gekwetter. Het nest is een open kom in een boom of struik.
- Spindalissen | Spindalidae4 soortenSpindalissen zijn middelgrote, gedrongen zangvogels met een korte, kegelvormige snavel. Vroeger werden ze tot de tangaren gerekend; recent zijn ze in een eigen familie ondergebracht, die alleen in het Caribisch gebied voorkomt. In het gidsgebied leven vier soorten van het geslacht Spindalis: de westelijke spindalis op de Bahama's, Cuba en Grand Cayman, en afzonderlijke soorten op Jamaica, Hispaniola en Puerto Rico. De mannetjes hebben een opvallend zwart-wit gestreepte kop, een gele tot oranje borst en keel, een olijfgroene of roodbruine rug en zwarte vleugels met witte randen. De vrouwtjes zijn veel valer, overwegend olijfgrijs, met slechts een vage koptekening. Spindalissen leven in bos, struweel en tuinen van laagland tot bergen. Ze eten vooral vruchten en bessen, aangevuld met knoppen, bloemen en insecten, en verzamelen zich vaak in vruchtdragende bomen. De zang is een hoog, dun en ijl gefluit dat gemakkelijk over het hoofd wordt gezien. Het nest is een losse kom in een boom of struik.
- Cubaanse zangers | Teretistridae2 soortenDeze familie is endemisch voor Cuba en bestaat uit twee soorten van het geslacht Teretistris, die lang bij de Amerikaanse zangers werden ingedeeld maar nu als een aparte Caribische familie worden beschouwd. De geelkopzanger komt voor in het westen en midden van Cuba en op het Isla de la Juventud; hij is grijs van boven en lichtgrijs van onder, met een gele kop en keel. De Oriente-zanger vervangt hem in het oosten van het eiland; hij is eveneens grijs van boven, maar heeft een gele keel en onderzijde en een lichte ring om het oog. Beide hebben een vrij lange, dunne, licht gebogen snavel. Ze leven in bos en struweel van uiteenlopende typen, van droog kustbos tot bergbos, en zijn plaatselijk algemeen. In groepjes zoeken ze actief tussen bladeren, takken en lianen naar insecten en andere kleine ongewervelden, en ze vormen vaak de kern van gemengde groepen zangvogels. Hun schrille, herhaalde roepjes verraden zo'n groep meestal al van ver.
- Troepialen | Icteridae33 soortenEen uitsluitend Amerikaanse familie, in het gidsgebied met 32 soorten. De snavel is recht, scherp en zonder haak, en wordt niet alleen gebruikt om iets dicht te knijpen maar ook om het open te wrikken: de vogel steekt de gesloten punt in een bladschede, een opgerold blad of een spleet in de bast en duwt de kaken uit elkaar, zodat het voedsel blootkomt. Bij de trupialen van het geslacht Icterus is het verenkleed geel of oranje met zwart; ze weven een hangend nest, vaak onder een palmblad. Bijna elk groot eiland heeft een eigen soort, van Hispaniola, Puerto Rico en Jamaica tot de Bahama's, Montserrat, Saint Lucia en Martinique. Daarnaast zijn er zwarte soorten, zoals de Antillengrackle op de Grote Antillen, de Caribische grackle op de Kleine Antillen en enkele eigen troepialen op Cuba en Puerto Rico. De glanskoevogel legt zijn eieren in nesten van andere soorten. Trinidad heeft Zuid-Amerikaanse soorten als de kuiforopendola en de geelstuitcassique, en de bobolink trekt door.
- Amerikaanse zangers | Parulidae54 soortenKleine, kortsnavelige insecteneters van het bladerdek, negen tot vijftien centimeter lang. Ze werken een boomkruin systematisch af, pikken rupsen en andere insecten van de onderkant van bladeren of vangen ze in een kort vluchtje. Met 54 soorten zijn ze na de tirannen de grootste zangvogelfamilie van het gidsgebied. Het merendeel zijn trekvogels uit Noord-Amerika die hier van de herfst tot het voorjaar verblijven of doortrekken, zoals de zwartwitte zanger, de Amerikaanse roodstaart, de palmzanger en de Kaapse Mayzanger. Hun verenkleed wisselt sterk met het seizoen, zodat een vogel in winterkleed vaak op details als vleugelstrepen, staarttekening en onderstaartdekveren moet worden gedetermineerd. De Kirtlands zanger overwintert vrijwel geheel op de Bahama's. Daarnaast hebben veel eilanden eigen standvogels, zoals de pijlpuntzanger van Jamaica, de dwergboszanger van Puerto Rico, de Saint Lucia-zanger, de loodgrijze zanger van Dominica en Guadeloupe en de fluitzanger van Saint Vincent. De mangrovezanger broedt op vrijwel alle eilanden.
- Kardinaalachtigen | Cardinalidae9 soortenEen uitsluitend Amerikaanse familie van middelgrote zaadeters, herkenbaar aan de snavel: zwaar, kort en zuiver kegelvormig, met een gebogen bovenrand en een brede basis, gebouwd om harde zaden en pitten te kraken en in de zomer ook rupsen en kevers te verwerken. Het tweede kenmerk is het verschil tussen de seksen. Het mannetje in broedkleed draagt één verzadigde kleur over vrijwel het hele lichaam — rood, diep blauw, of blauw met kastanje en geel — terwijl het vrouwtje warm bruin tot olijfgroen is, met hoogstens een zweem van die kleur op stuit en staartranden. Buiten de broedtijd ruit het mannetje naar datzelfde onopvallende bruin, zodat najaars- en wintervogels nauwelijks op geslacht en leeftijd te scheiden zijn en op snavelvorm en staartlengte moeten worden bekeken. Ze leven in struweel, bosranden en verruigde randen, zingen vanaf een hoge post en bouwen een open nest laag in een struik.
- Tangaren | Thraupidae41 soortenDe tangaren vormen een grote, zeer gevarieerde familie van Amerikaanse zangvogels; in het gidsgebied komen ruim veertig soorten voor. Bij recente herzieningen zijn enkele Caribische groepen, zoals de spindalissen en de palmtangaren, als eigen families afgesplitst, terwijl de grondvinken en goudvinken al eerder bij de tangaren waren ondergebracht. Op de Antillen behoren de meeste soorten tot een Caribische groep waarvan ook de Darwinvinken deel uitmaken: de suikerdief, die met zijn gebogen snavel nectar drinkt en een overdekt nest bouwt, de grondvinken van de geslachten Tiaris, Melanospiza en Phonipara, de goudvinken van Loxigilla en Melopyrrha, en de Jamaicaanse geslachten Loxipasser en Euneornis. Zij hebben meest een korte, dikke snavel en zwart, olijfgroen of grijs verenkleed, soms met rood of geel. Op Trinidad en Tobago leven daarnaast kleurrijke vruchten- en insecteneters als Tangara, Thraupis, Ramphocelus, Tachyphonus, Dacnis, Cyanerpes en Tersina, en zaadeters als Sporophila, Volatinia en Sicalis. Het voedsel varieert van zaden en vruchten tot nectar en insecten; de meeste soorten bouwen een open komnest.