Alle soorten › Zangvogels › Vireo's › Baardvireo
Baardvireo | Vireo altiloquus
Black-whiskered Vireo | Vireo bigotudo
De baardvireo is de karakteristieke vireo van het Caribisch gebied: hij broedt op vrijwel elk eiland, van de Bahama's tot Grenada en de ABC-eilanden. In het broedseizoen is de zang op veel eilanden een van de meest gehoorde vogelgeluiden in bos en tuinen. Het grootste deel van de vogels overwintert in het noorden van Zuid-Amerika. Op Puerto Rico en in de Dominicaanse Republiek heet hij julián chiví, naar de zang.
Geluid
De zang bestaat uit korte, melodieuze frasen van twee of drie lettergrepen, telkens anders, gescheiden door pauzes, de hele dag door vanuit de boomkruinen herhaald, zoals djoe-lie-an... tsji-vie. Alleen de mannetjes zingen. Roepen zijn onder meer een nasaal jièè, een kort wiet-wiet en een hees, miauwend scheldgeluid.
Opname: Noah Khanti Steinberg — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–16,5 cm, een vrij grote, langgerekte vireo met een forse snavel. De kruin is grijs, de bovendelen zijn olijfgroen, zonder vleugelstrepen. Een witte wenkbrauwstreep wordt van onderen begrensd door een donkere oogstreep. Kenmerkend is de smalle zwarte baardstreep langs de keel, die van dichtbij te zien is maar in het veld niet altijd. De onderdelen zijn witachtig, met een gelige tint op flanken en onderstaartdekveren. Volwassen vogels hebben een rode iris, jonge vogels een bruine. De seksen zijn gelijk. De ondersoorten verschillen in snavelgrootte en tint; vogels van de westelijke eilanden (San Andrés, Providencia) hebben een zware snavel.
Verwarringssoorten
De roodoogvireo Vireo olivaceus, als doortrekker in het gebied, lijkt sterk maar mist de baardstreep, heeft een kleinere snavel en een scherper afgetekende grijze kruin met zwarte rand. De Yucatánvireo Vireo magister op Grand Cayman is bruiner, met een vagere wenkbrauwstreep en zonder baardstreep. De zeldzame geelgroene vireo Vireo flavoviridis heeft gelere flanken en onderstaart en eveneens geen baardstreep.
Leefgebied
Vrijwel alle beboste terreinen: droog en vochtig loofbos, kustbos, mangrove, bergbos, koffieplantages met schaduwbomen, parken en tuinen met hoge bomen, van zeeniveau tot in de bergen. Foerageert in de kruinlaag op insecten, die van bladeren worden gepikt, en eet daarnaast veel kleine vruchten. Het nest is een hangend kommetje in een horizontale takvork.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Broedvogel op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen tot Grenada, de ABC-eilanden en San Andrés en Providencia. Op Trinidad en Tobago wordt de soort weinig waargenomen. De vogels van de Bahama's, Cuba, Jamaica en Puerto Rico trekken in de winter naar het noorden van Zuid-Amerika en het Amazonebekken; op Hispaniola en enkele andere eilanden blijft een deel achter. Daarbuiten broedt de soort in het zuiden van Florida en langs de kust van het schiereiland Yucatán.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Van maart tot augustus vrijwel overal in bos te horen, ook in hotel- en stadsparken. De zingende vogel zit vaak hoog en onzichtbaar in het blad; geduld bij de roepende boom levert meestal een goede blik op, waarbij op de baardstreep en de rode iris gelet kan worden om de roodoogvireo uit te sluiten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is algemeen op de meeste eilanden en verdraagt secundair bos, plantages en tuinen met bomen.
Wetenschappelijke naam
Vireo altiloquus | (Vieillot, 1808)
Vieillot beschreef de soort in 1808 als Muscicapa altiloqua; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vireo werd in 1808 ingevoerd door Vieillot. Vireo werd door Latijnse schrijvers gebruikt voor een kleine, groene trekvogel, waarschijnlijk de wielewaal; ook de groenling is voorgesteld. altiloquus is Latijn, van altus 'hoog, luid' en loqui 'spreken', naar de luide, eindeloos herhaalde zang. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sint-Thomas, Amerikaanse Maagdeneilanden.






