Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Blauwe grondduif
Blauwe grondduif | Claravis pretiosa
Blue Ground Dove | Tórtola azul
De blauwe grondduif is een kleine duif van bosranden en open bos in tropisch Amerika, die in het Caribisch gebied alleen op Trinidad voorkomt. Mannetje en vrouwtje verschillen zo sterk dat ze op het eerste gezicht voor twee soorten kunnen doorgaan: het mannetje is vrijwel geheel blauwgrijs, het vrouwtje warm bruin. Anders dan de meeste kleine grondduiven houdt hij zich niet alleen in open terrein op, maar ook langs bospaden en op open plekken in het bos, en het mannetje roept vaak hoog vanuit een boom.
Geluid
Het mannetje roept vanuit de boomkruinen een luid, enkelvoudig boep, dat met regelmatige tussenpozen wordt herhaald en ver draagt. De roepende vogel zit vaak hoog en verscholen tussen het blad. Bij het opvliegen klapperen de vleugels hoorbaar.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 20 cm, iets groter en slanker dan de steenduif, met een middellange staart. Het mannetje is van boven egaal blauwgrijs en van onder lichter grijs; naar het gezicht toe wordt het bijna wit. Op de vleugel staan enkele grote zwarte vlekken en balkjes, en de buitenste staartpennen zijn zwart, wat bij het opvliegen zichtbaar is. Het vrouwtje is grijsbruin tot warm bruin op kop, hals en borst, met kastanjebruine vlekken op de vleugel, een roodbruine stuit en een lichtere, naar grijs neigende buik; de ondervleugel is lichtblauwgrijs. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, maar zijn doffer en hebben lichte randen aan de veren van de bovendelen. De seksen zijn dus ook op enige afstand te onderscheiden.
Verwarringssoorten
Op Trinidad is geen andere duif zo egaal blauwgrijs als het mannetje. Het vrouwtje kan verward worden met het vrouwtje van de steenduif Columbina talpacoti, dat kleiner en gedrongener is, zwarte in plaats van kastanjebruine vleugelvlekken heeft en vooral in open, bebouwd terrein leeft. De dwergduif Columbina minuta is duidelijk kleiner, grijsbruin met paarsachtige vleugelvlekken en heeft een korte staart; hij leeft in open grasland. De grijskruinduif Leptotila rufaxilla is veel groter en zwaarder, met een lichte buik en witte staartpunten, en loopt in de schaduw van het bos over de grond.
Leefgebied
Open bos, bosranden, open plekken in het bos en beboste wegbermen, vooral in de vochtiger delen van het eiland. Hij komt alleen, in paren of soms in kleine groepjes voor. Hij zoekt zijn voedsel vooral op de grond, op paden en in open plekken: zaden en kleine insecten, en hij neemt steentjes op voor de vertering. Het nest is een dun, plat bouwsel van takjes, één tot ruim tien meter hoog in een boom, met twee witte eieren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
In het gebied alleen op Trinidad, waar hij in het bos en langs bosranden voorkomt maar weinig wordt gemeld en als schaars geldt. Op Tobago en de overige eilanden komt hij niet voor. Daarbuiten is het een standvogel van het zuidoosten van Mexico door Midden-Amerika tot in het noordwesten van Peru, en ten oosten van de Andes tot in het noorden van Argentinië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De roep is het beste aanknopingspunt: een herhaald, luid boep uit de boomkruinen langs een bosweg of bosrand. Het mannetje zit dan vaak op een tak hoog in een boom en is pas na zoeken te vinden. Vogels die op een bospad of een open plek foerageren, vliegen bij verstoring snel en laag weg; het blauwgrijs van het mannetje en de zwarte buitenste staartpennen zijn dan het eerste wat opvalt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is in haar grote areaal op het vasteland wijdverbreid en plaatselijk algemeen, en profiteert van bosranden en open plekken. Op Trinidad is ze schaars; over aantallen of trends op het eiland zijn geen gegevens bekend. Als bosrandvogel is ze minder gevoelig voor versnippering dan echte bosbewoners, maar ze is wel afhankelijk van de resterende bosgebieden van het eiland.
Wetenschappelijke naam
Claravis pretiosa | (Ferrari-Pérez, 1886)
Ferrari-Pérez beschreef de soort in 1886 als Peristera pretiosa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Claravis werd in 1899 ingevoerd door Oberholser. Claravis is Latijn, van clarus 'helder, duidelijk' en avis 'vogel'. pretiosa is Latijn voor 'kostbaar', naar het fraaie blauwgrijze verenkleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Brazilië.

