Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Blauwe suikervogel
Blauwe suikervogel | Cyanerpes cyaneus
Red-legged Honeycreeper | Mielero patirrojo
De blauwe suikervogel is een kleine tangare met een lange, licht gebogen snavel, die nectar, vruchten en insecten eet. In het Caribisch gebied leeft hij op Trinidad en Tobago en op Cuba, waar hij aparecido de San Diego heet. Of de Cubaanse populatie oorspronkelijk is of teruggaat op ontsnapte of losgelaten kooivogels, staat ter discussie.
Geluid
Roept bijna voortdurend, vooral met zoemende of lispelende tonen, zoals een dun, zeurend tsjie-iez en een hoog, dun en doordringend tsiet. De zang bij zonsopgang is zelden te horen: een zwakke reeks tsip-tsip-tsjaa.
Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
11–13 cm, met een korte staart en een lange, licht gebogen, zwarte snavel. Het mannetje in broedkleed is purperblauw met een lichte, turkooise kruin, een klein zwart masker, een zwarte driehoek op nek en mantel en zwarte vleugels en staart. De poten zijn helderrood. In de vlucht vallen de heldergele ondervleugel en de gele binnenvlaggen van de slagpennen op. Buiten het broedseizoen lijkt het mannetje op het vrouwtje, maar houdt het de zwarte vleugels en staart. Het vrouwtje is dof olijfgroen van boven, met een vage lichte wenkbrauwstreep, een grijswitte keel en lichtgele, vaag groen gestreepte onderdelen; haar poten zijn dof roodachtig.
Verwarringssoorten
Het mannetje van de purpersuikervogel Cyanerpes caeruleus op Trinidad heeft gele poten, een zwarte keel en geen lichte kruin; het vrouwtje heeft een okerkleurig gezicht en een blauwe baardstreep. De blauwe pitpit Dacnis cayana heeft een korte, rechte snavel. Op Cuba lijkt het mannetje oppervlakkig op de indigogors Passerina cyanea, die een korte, kegelvormige snavel en geen zwart op de rug heeft. Het vrouwtje lijkt op een vireo of zanger, maar valt op door de lange, gebogen snavel en de roodachtige poten.
Leefgebied
Half open landschap: bosranden, oud secundair bos, open plekken met grote bomen, beschaduwde koffie- en cacaoplantages, kustbos en parken en tuinen met bomen. In aaneengesloten bos zit hij vooral in de kronen van bloeiende bomen. Foerageert in paren of groepen, vaak samen met andere tangaren en suikerdiefjes, en komt op voederplaatsen af. Het nest is een klein kommetje in een boom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op Cuba, waar hij op veel plaatsen in het laagland en de heuvels algemeen is, en op Trinidad en Tobago; op Tobago leeft een eigen ondersoort. Van Jamaica zijn enkele waarnemingen, vermoedelijk van ontsnapte kooivogels; op Bonaire en Curaçao is hij dwaalgast. Buiten het gebied van het zuiden van Mexico door Midden-Amerika tot in Bolivia en Brazilië.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Cuba vaak in bloeiende bomen in tuinen, parken en langs bosranden, bijvoorbeeld rond het schiereiland Zapata. Op Trinidad en Tobago komen vogels naar voederplaatsen met fruit en suikerwater. Mannetjes in eenvoudig kleed zijn aan de zwarte vleugels en de rode poten te herkennen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Een wijdverbreide soort van half open landschap, die goed in tuinen en plantages leeft. Op sommige plaatsen worden vogels gevangen voor de kooivogelhandel.
Wetenschappelijke naam
Cyanerpes cyaneus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Certhia cyanea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cyanerpes werd in 1899 ingevoerd door Oberholser. Cyanerpes is Grieks, van kuanos 'donkerblauw' en herpēs 'kruiper'. cyaneus is Latijn, van het Griekse kuaneos 'donkerblauw'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Suriname.






