Alle soorten › Pelikaanachtigen › Pelikanen › Bruine pelikaan

Bruine pelikaan | Pelecanus occidentalis

Brown Pelican | Pelícano pardo

De bruine pelikaan is een donkere zeepelikaan die vist door zich van enige hoogte snavel voorop in zee te storten. In het Caribisch gebied is hij langs vrijwel elke kust te zien, op meerpalen in havens, boven baaien en in rijen laag over de golven. De vogels van West-Indië behoren tot de kleinste ondersoort, Pelecanus occidentalis occidentalis.

Bruine pelikaan (Pelecanus occidentalis)
Foto: National Park Service — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Volwassen vogels zijn buiten de kolonie vrijwel stil. In de kolonie laten ze een laag gegrom en gekreun horen, zoals hrraa-hrra; jongen op het nest bedelen met hoog gepiep.

Luister: RoepXC530843

Opname: Isain Contreras Rodríguez — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

100–137 cm, met een spanwijdte van rond twee meter; de vogels in het gebied liggen aan de onderkant van die maat. Het lichaam is grijsbruin, de bovendelen zilvergrijs gestreept. De snavel is lang en plat, met een donkere keelzak. Buiten de broedtijd zijn kop en hals wit, de kruin geelachtig. In broedkleed zijn achterhals en nek donker kastanjebruin, gescheiden van de witte kop door een witte streep langs de zijkant van de hals. Jonge vogels zijn egaal grijsbruin op kop, hals en rug, met een lichte buik. Vliegt met ingetrokken kop, afwisselend enkele slagen en lange glijvluchten, vaak in rijen vlak boven het water.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse witte pelikaan Pelecanus erythrorhynchos, een zeldzame wintergast, is groter en wit met zwarte handpennen en vist zwemmend in groepen, niet duikend. Jonge bruine pelikanen kunnen op afstand aan de bruine gent Sula leucogaster doen denken, maar die is veel kleiner, met een slanke, spitse snavel en een scherp afgetekende witte buik.

Leefgebied

Kustwater, baaien, ondiepe lagunes, mangrove en havens; zelden ver op open zee. Vist door met de vleugels half gevouwen van enkele meters tot meer dan tien meter hoogte snavel voorop in het water te duiken, en schept de vis met de keelzak op. Broedt in kolonies op kleine eilandjes en cayos, in mangrove, laag struweel of op rotsrichels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Jaarrond langs de kusten van vrijwel het hele gebied: de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, de Grote Antillen, de Kaaimaneilanden, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden en Trinidad en Tobago. Broedkolonies liggen verspreid, vaak op onbewoonde eilandjes voor de kust. Buiten het gebied langs de Atlantische kust en de Golf van Mexico van de Verenigde Staten tot Venezuela, en langs de Pacifische kust van Canada tot Ecuador.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In vrijwel elke haven en vissershaven van het gebied, waar de vogels op meerpalen en boten wachten op visafval. Het duiken is het best te zien boven heldere, ondiepe baaien in de ochtend, wanneer scholen kleine vis aan de oppervlakte komen. Broedkolonies zijn gevoelig voor verstoring en worden het best vanaf het water op afstand bekeken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In de Verenigde Staten stortte de soort in de jaren zestig in door DDT en is ze daarna hersteld. In het Caribisch gebied zijn de kolonies klein en kwetsbaar voor verstoring, het verzamelen van eieren en het kappen van mangrove; vogels raken verstrikt in vislijnen en netten.

Wetenschappelijke naam

Pelecanus occidentalis | Linnaeus, 1766

Linnaeus beschreef de soort in 1766 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Pelecanus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Pelecanus is de Latijnse vorm van het Griekse pelekan 'pelikaan', dat zelf teruggaat op pelekys 'bijl'. occidentalis is Latijn voor 'westelijk', naar het voorkomen in de Nieuwe Wereld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jamaica.