Alle soorten › Kolibries en gierzwaluwen › Gierzwaluwen › Bruinkraaggierzwaluw

Bruinkraaggierzwaluw | Streptoprocne rutila

Chestnut-collared Swift | Vencejo cuello castaño

De bruinkraaggierzwaluw is een middelgrote, donkere gierzwaluw uit de bergen van Midden- en Zuid-Amerika. In het Caribisch gebied komt hij alleen op Trinidad voor, waar hij in het Noordelijk Gebergte leeft. Hij jaagt vaak in groepen, ook samen met andere gierzwaluwen, en is dan te herkennen aan de roodbruine halsband van de mannetjes.

Bruinkraaggierzwaluw (Streptoprocne rutila)
Foto: Clément panisse — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Zoemende, krakende geluiden, als het knetteren van statische elektriciteit, soms aaneengeregen tot een gekwetter: bzzz-tzz-tzz-tzz.

Luister: VluchtroepXC260446

Opname: Mitch Lysinger — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–14 cm, donker roetbruin, met vrij brede vleugels en een korte, licht ingekeepte staart zonder stekelpunten die opvallen. Het mannetje heeft een brede roodbruine band over de onderkeel en bovenborst, die rond de hals doorloopt tot in de nek. Bij het vrouwtje is de band smaller, onvolledig of afwezig, en het verenkleed iets lichter. Jonge vogels hebben geen of nauwelijks een kraag en lichte randjes aan de veren. In slecht licht valt de kraag weg en lijkt de vogel egaal zwartbruin.

Verwarrings­soorten

De witkraaggierzwaluw Streptoprocne zonaris is veel groter, met een witte in plaats van roodbruine kraag. De gierzwaluwen van het geslacht Chaetura, zoals de grijsstuitgierzwaluw Chaetura cinereiventris, de witbandgierzwaluw Chaetura spinicaudus en de kortstaartgierzwaluw Chaetura brachyura, zijn kleiner, hebben een lichte stuit en een korte staart met stekelpunten. Vrouwtjes en jongen zonder kraag lijken op de zwarte gierzwaluw Cypseloides niger, die op Trinidad zeldzaam is en langere, smallere vleugels heeft.

Leefgebied

Jaagt boven bebost heuvel- en bergland, valleien en rivierdalen, en boven open plekken en dorpen aan de bosrand; vooral in de bergen, maar bij slecht weer ook lager. Eet vliegende insecten die hoog of laag boven het bos worden gevangen. Broedt op kleine richels of in nissen van vochtige, schaduwrijke rotswanden bij water: in kloven, grotten, achter of naast watervallen en soms onder bruggen of in duikers. Het nest is een kom van modder met mos, levermos en varens.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied alleen op Trinidad, vooral in het Noordelijk Gebergte; van Tobago is de soort niet bekend. Buiten het gebied van Mexico door Midden-Amerika en via de Andes en de kustgebergten van Venezuela tot Peru en Bolivia.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Te zoeken in de valleien van het Noordelijk Gebergte, zoals de Arimavallei, waar groepjes gierzwaluwen boven de beboste hellingen jagen. Voor en na regenbuien vliegen de vogels vaak laag. Een groep goed doorkijken loont: de roodbruine kraag van mannetjes is pas bij goed licht te zien, en tussen de kleinere Chaetura-soorten vallen de grotere, egaal donkere vogels op.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied en lijkt stabiel. Op Trinidad is ze plaatselijk algemeen; verstoring van de broedplaatsen in kloven en grotten is een mogelijk lokaal risico.

Wetenschappelijke naam

Streptoprocne rutila | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Hirundo rutila; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Streptoprocne werd in 1906 ingevoerd door Oberholser. Streptoprocne is Grieks, van streptos 'halsband' en Procne, de in een zwaluw veranderde figuur uit de Griekse mythe, naar de gekleurde halsband. rutila is Latijn voor 'roodachtig, goudrood', naar de roodbruine halsband. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Guyana's (niet nader bepaald).