Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Bruinvleugeltiran

Bruinvleugeltiran | Myiarchus oberi

Lesser Antillean Flycatcher | Copetón de Ober

De bruinvleugeltiran is de Myiarchus van de Kleine Antillen tussen Saint Kitts en Saint Lucia. Hij leeft vooral in de kroon en aan de randen van vochtig bos in de heuvels en is daar door zijn lange, klagende fluittonen vaker te horen dan te zien. Er worden vier ondersoorten onderscheiden, elk op één of enkele eilanden.

Bruinvleugeltiran (Myiarchus oberi)
Foto: Thibaud Aronson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Lange, klagende, aanhoudende fluittonen, zoals een gerekt pieeeuu. De ochtendzang bestaat uit een lange eerste toon, twee zeer korte tonen en een lagere, klagende slottoon.

Luister: ZangXC9493

Opname: Allen T. Chartier — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

19–22 cm, met een duidelijke kuif. Kruin en bovendelen zijn donker olijfgroen tot olijfbruin, het gezicht grijsolijf. De vleugels zijn bruin, met roestbruine randen aan de pennen; de bovenstaartdekveren en de staart tonen roestbruin. Keel en borst zijn grijs, de buik geel met groenig getinte flanken. Snavel, poten en iris zijn donker. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

Op zijn eilanden geen andere Myiarchus; de Grenadatiran Myiarchus nugator leeft zuidelijker. De grijze koningstiran Tyrannus dominicensis is grijs en wit, zonder kuif, geel of roestbruin, en zit open. De witbuikelenia Elaenia martinica is kleiner, met witte vleugelstrepen. De roestbuikpiewie Contopus latirostris is veel kleiner en heeft een okerbruine onderzijde zonder geel.

Leefgebied

Kroon en randen van vochtig, groenblijvend bos, vooral tussen ongeveer 100 en 900 m, ook plantages met bomen en op sommige eilanden droger bos en doornstruweel. Jaagt vanaf een zitplaats in de kroon op insecten en eet ook vruchten. Nestelt in boomholten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Saint Kitts, Nevis en Barbuda (ondersoort berlepschii), Guadeloupe en Dominica (oberi), Martinique (sclateri) en Saint Lucia (sanctaeluciae). Buiten deze eilanden komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste in de vroege ochtend langs bospaden en wegen door vochtig bos in de heuvels, bijvoorbeeld op Dominica en Saint Lucia. De klagende fluittoon verraadt de vogel; daarna is hij vaak in de kroon op te sporen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar het verspreidingsgebied is klein en de aantallen lijken af te nemen. Bedreigingen zijn het kappen van bos en orkaanschade.

Wetenschappelijke naam

Myiarchus oberi | Lawrence, 1877

Lawrence beschreef de soort in 1877 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Myiarchus werd in 1844 ingevoerd door Cabanis. Myiarchus is Grieks, van muia 'vlieg' en arkhos 'heerser': 'vliegenvorst'. oberi eert de Amerikaanse natuuronderzoeker en schrijver Frederick Albion Ober (1849–1913), die de Kleine Antillen verkende. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Dominica.