Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Connecticutzanger
Connecticutzanger | Oporornis agilis
Connecticut Warbler | Reinita de Connecticut
De connecticutzanger is een grote, gedrongen zanger met een grijze kap en een witte oogring, die broedt in boreale moerasbossen en populierenbos in Canada en het noorden van de Verenigde Staten, en overwintert in het Amazonebekken. Hij leeft verborgen en is op doortrek weinig bekend. Geolocatoronderzoek (McKinnon e.a., 2017) toonde aan dat vogels uit Manitoba in de herfst vanaf de Atlantische kust in ongeveer twee dagen non-stop over zee naar de Grote Antillen vlogen, waarschijnlijk naar Hispaniola, en na een rustpauze verder naar Zuid-Amerika. In het voorjaar volgt de soort een westelijker route.
Geluid
Op doortrek vrijwel stil. De roep is een hard, metalig pliink of tsjimp. De zang, in het broedgebied, is een luide, ritmische reeks van herhaalde motiefjes, tsjipiteh-tsjipiteh-tsjipiteh.
Opname: Michael Collins — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
13–15 cm, stevig gebouwd, met een kort lijkende staart doordat de lange onderstaartdekveren tot ver over de staart reiken. Het mannetje heeft een egaal leigrijze kap over kop, keel en borst; het vrouwtje en jonge vogels een bruingrijze tot vaalbruine kap met een lichtere keel. In alle kleden een volledige witte of geelwitte oogring. Bovendelen olijfgroen, buik en onderstaart geel. De poten zijn roze.
Verwarringssoorten
De grijskopzanger Geothlypis philadelphia is kleiner en heeft kortere onderstaartdekveren; volwassen mannetjes hebben een zwarte borstvlek en geen oogring, vrouwtjes en jonge vogels hebben hooguit een dunne, onderbroken oogring en vaak een gelige keel. De nashvillezanger Leiothlypis ruficapilla is veel kleiner, met een gele keel en een actieve manier van foerageren in het blad. Vrouwtjes van de gewone maskerzanger Geothlypis trichas zijn kleiner en hebben een gele keel zonder kap.
Leefgebied
Op doortrek in dichte ondergroei van halfgroen en vochtig bos, kalksteenbos en ruigten. Loopt rustig over de grond en lage takken, met wippende staart, en zoekt tussen het blad naar insecten en spinnen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Zeldzame doortrekker in de herfst op de Bahama's, Cuba en Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek) en regelmatige doortrekker op Bonaire en Curaçao, met daarnaast waarnemingen op Jamaica, Puerto Rico, de Maagdeneilanden en Sint-Maarten. Als dwaalgast gemeld van Aruba, Barbados, Guadeloupe en de Kaaimaneilanden. Door de verborgen leefwijze wordt de soort vermoedelijk vaak gemist. Broedt in Canada van Alberta tot Quebec en in het noorden van Minnesota, Wisconsin en Michigan, en overwintert in het Amazonebekken, vooral in Colombia, Venezuela, Peru en Brazilië.
Hoe en wanneer kijken
Een kans bestaat vooral van half september tot eind oktober in bos met dichte ondergroei op de Grote Antillen, onder meer in Haïti en de Dominicaanse Republiek. Een grote, grijskoppige zanger die over de grond loopt in plaats van te huppen, met een volledige oogring, is de belangrijkste aanwijzing.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Door de verborgen leefwijze en het afgelegen broedgebied zijn de aantallen onvolledig bekend; tellingen wijzen op een langzame afname.
Wetenschappelijke naam
Oporornis agilis | (Wilson, 1812)
Wilson beschreef de soort in 1812 als Sylvia agilis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oporornis werd in 1858 ingevoerd door Baird. Oporornis is Grieks, van opōra 'nazomer, herfst' en ornis 'vogel', omdat de typesoort vooral op de herfsttrek werd gezien. agilis is Latijn voor 'vlug, behendig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Connecticut (VS).


