Alle soorten › Zangvogels › Vireo's › Cubaanse vireo

Cubaanse vireo | Vireo gundlachii

Cuban Vireo | Juan chiví

De Cubaanse vireo is een gedrongen, grootkoppige vireo die alleen op Cuba, het Isla de la Juventud en een aantal cayos voorkomt. Hij is op het eiland algemeen en valt vooral op door zijn eindeloos herhaalde roep, waaraan de Spaanse naam juan chiví ontleend is. In de meeste indelingen worden vier ondersoorten onderscheiden, verdeeld over het hoofdeiland, het Isla de la Juventud en enkele eilandjes voor de kust.

Cubaanse vireo (Vireo gundlachii)
Foto: John Sterling — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

De zang is een hoog, eindeloos herhaald wi-chiví, vaak urenlang vanaf dezelfde post. Daarnaast een snelle, dalende reeks tsji-noten, scheldende geluiden en een zacht ratelend roepje.

Luister: ZangXC994581

Opname: FREDERIC Lionel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 13 cm, plomp, met een grote kop en een vrij forse, lichte snavel. Kruin, nek en oorstreek zijn olijfgrijs. Rond en achter het oog ligt een brede gele tot roomwitte vlek, die als een vage bril door het oog loopt; de iris is donker. De bovendelen zijn olijfgrijs, de keel en borst gelig, de buik en onderstaart lichter en de flanken grijsgeel. De vleugel heeft twee zwakke, lichte vleugelstrepen en licht gerande slagpennen. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer.

Verwarrings­soorten

De witoogvireo Vireo griseus, een wintergast in vooral het westen van Cuba, is slanker, heeft een smalle gele bril, duidelijke witte vleugelstrepen, gele flanken en bij volwassen vogels een witte iris. Op enkele cayos voor de noordkust leeft de dikbekvireo Vireo crassirostris, met een zwaardere snavel en duidelijkere vleugelstrepen. De geelborstvireo Vireo flavifrons, een schaarse wintergast, heeft een helder gele keel en borst, een witte buik en twee duidelijke witte vleugelstrepen.

Leefgebied

Randen van groenblijvend en loofverliezend bos, dicht struikgewas, ruigten en struweel, ook kuststruweel en het kalksteenbos van de mogotes, van zeeniveau tot ongeveer 700 m en plaatselijk hoger. Zoekt in de lagere en middelste laag naar insecten en rupsen en eet ook kleine vruchten. Het nest is een hangend kommetje in een vork van een tak, laag in het struikgewas.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen op Cuba, het Isla de la Juventud en enkele cayos, verspreid over het hele eiland waar bos of struweel staat. Buiten Cuba komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In vrijwel elk bos- of struweelgebied op Cuba, bijvoorbeeld op het schiereiland Zapata en in de Sierra del Rosario. De herhaalde roep is het beste aanknopingspunt; de vogel zelf beweegt traag door dichte begroeiing en is pas bij nader zoeken te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is algemeen en verdraagt secundair bos en struweel.

Wetenschappelijke naam

Vireo gundlachii | Lembeye, 1850

Lembeye beschreef de soort in 1850 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Vireo werd in 1808 ingevoerd door Vieillot. Vireo werd door Latijnse schrijvers gebruikt voor een kleine, groene trekvogel, waarschijnlijk de wielewaal; ook de groenling is voorgesteld. gundlachii eert de Duits-Cubaanse natuuronderzoeker Juan (Johannes) Gundlach (1810–1896), die ruim zestig jaar de fauna van Cuba bestudeerde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cienfuegos, Cuba.