Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Dickcissel
Dickcissel | Spiza americana
Dickcissel | Arrocero americano
De dickcissel is een mus-achtige kardinaalachtige van de prairies en graanvelden in het midden van de Verenigde Staten. Hij overwintert in grote, dichte groepen in graslanden en rijstvelden van Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika, waar hij als plaag voor de rijstbouw geldt. De naam is een klanknabootsing van de zang.
Geluid
In vlucht een laag, zoemend frrrt, waaraan overvliegende vogels te herkennen zijn. De zang is een droog, staccato dik-dik-sis-sis-sis, in de winter weinig te horen.
Opname: Anne McCormack — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
14–16 cm, gedrongen, met een dikke, grijsblauwe kegelsnavel. Het mannetje heeft een grijze kop met een gele wenkbrauwstreep en gele baardstreep, een witte keel en een zwarte 'V' op de bovenborst; borst en buik zijn geel, de rug bruin met zwarte strepen en de schouder kastanjebruin. In de winter is het zwart van de borst grotendeels verborgen. Het vrouwtje lijkt op een huismus, met een lichte wenkbrauwstreep die achter het oog geel wordt, een gele waas op de borst, een fijne donkere baardstreep en een roestbruine schouder. Jonge vogels zijn valer en hebben fijne strepen op borst en flanken.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje van de huismus Passer domesticus mist het geel op wenkbrauw en borst en de roestbruine schouder, en heeft een gelige in plaats van grijze snavel. Het vrouwtje van de bobolink Dolichonyx oryzivorus is warmer okergeel, met zwarte kopstrepen en een puntige staart. De witkaakweidespreeuw Sturnella magna heeft ook een zwarte 'V' op een gele borst, maar is veel groter, met een lange, puntige snavel.
Leefgebied
Open graslanden, savannen, rijstvelden, suikerriet- en graanvelden en ruige akkerranden. Eet in de winter vooral zaden, in de broedtijd ook insecten. Overwinterende groepen slapen gezamenlijk in riet, suikerriet of struweel.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Op Trinidad een onregelmatige wintergast in het laagland, vooral rond rijstvelden en grasland, in sommige jaren in grote groepen; op Tobago een dwaalgast. In het noordwesten van het gebied een zeldzame doortrekker, met meldingen van de Bahama's, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica en San Andrés. Elders, onder meer op Hispaniola, Puerto Rico, in de Kleine Antillen en op de ABC-eilanden, een dwaalgast. Broedt in het midden van de Verenigde Staten en het zuiden van Canada; overwintert van Zuid-Mexico tot in Colombia en Venezuela.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Trinidad zijn de rijstvelden en open graslanden in het laagland in de winter de plek om naar groepen te zoeken, vooral bij zonsondergang wanneer ze naar hun slaapplaatsen trekken. Elders wordt de soort het vaakst opgemerkt door het zoemende vluchtgeluid boven graslanden in september–oktober.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De aantallen schommelen sterk van jaar tot jaar. In de winterkwartieren in Venezuela zijn groepen in rijstvelden op grote schaal bestreden; daarnaast verdwijnt broedgebied door intensivering van de landbouw.
Wetenschappelijke naam
Spiza americana | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Emberiza americana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spiza werd in 1824 ingevoerd door Bonaparte. Spiza is het Oudgriekse woord voor een vink, vermoedelijk de vink. americana is Latijn voor 'Amerikaans'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit New York.




