Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Drieteenstrandloper

Drieteenstrandloper | Calidris alba

Sanderling | Correlimos tridáctilo

De drieteenstrandloper is de strandloper van de branding: kleine groepjes rennen op de golflijn heen en weer, pikken voedsel uit het teruglopende water en vluchten voor de volgende golf. Hij broedt op de hoogarctische toendra en is in het Caribisch gebied een algemene wintergast op zandstranden van vrijwel alle eilanden. Een achterteen ontbreekt, vandaar de Nederlandse naam.

Drieteenstrandloper (Calidris alba)
Foto: Amada44 — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een kort, scherp kwiet of twik, vaak in vlucht; groepen geven ook een zacht getjilp.

Luister: VluchtroepXC1183321

Opname: Daan van der Hoeven — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–20 cm, gedrongen, met een korte, rechte zwarte snavel en zwarte poten. In winterkleed de lichtste strandloper van het gebied: lichtgrijs van boven, zuiver wit van onder en in het gezicht, met een zwarte vlek op de vleugelboeg die vaak als een donkere schoudervlek zichtbaar is. Jonge vogels hebben een zwart-wit geblokte rug. In broedkleed, in het voorjaar soms deels aanwezig, roestbruin op kop, borst en rug. In vlucht een brede witte vleugelstreep tussen een donkere voorrand en donkere handpennen.

Verwarrings­soorten

De grijze strandloper Calidris pusilla en de alaskastrandloper Calidris mauri zijn kleiner en donkerder grijsbruin, missen de zwarte vleugelboeg en foerageren zelden in de branding. De kanoet Calidris canutus is groter en grijzer, met een langere snavel. De bonte strandloper Calidris alpina heeft een langere, aan de punt gebogen snavel en een grijzere borst.

Leefgebied

Vooral zandstranden met golfslag, ook zandplaten, getijdenvlakten, koraalcays en de randen van zoutpannen. Eet kleine kreeftachtigen, wormen en schelpdiertjes die de golven blootleggen. Bij hoogwater rusten groepen hoger op het strand of op rotsen, vaak samen met steenlopers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Wintergast en doortrekker op vrijwel alle eilanden: de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago. Algemeen op geschikte stranden, schaarser op eilanden met vooral rotskust. Buiten het gebied broedt de soort op de hoogarctische toendra en overwintert ze op stranden over vrijwel de hele wereld.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Brede zandstranden in de vroege ochtend, voordat het druk wordt, bijvoorbeeld op de Bahama's, de noordkust van Cuba en Puerto Rico. Een lichte strandloper die in de golflijn op en neer rent, is vrijwel altijd deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, al wijzen tellingen langs de Amerikaanse Atlantische kust op een afname. In het gebied zijn ongestoorde stranden van belang; verstoring door recreatie, loslopende honden en kustbebouwing beperken de rust- en foerageerplaatsen.

Wetenschappelijke naam

Calidris alba | (Pallas, 1764)

Pallas beschreef de soort in 1764 als Trynga alba; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. alba is Latijn voor 'wit', naar het bleke winterkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Noordzeekust.