Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Geelbuikbreedbektiran

Geelbuikbreedbektiran | Tolmomyias flaviventris

Ochre-lored Flatbill | Picoplano pechiamarillo

De geelbuikbreedbektiran is een geelgroene tiran met een brede, platte snavel, die op Trinidad en Tobago in mangroven, droger bos, bosranden en plantages leeft. Hij wordt veel vaker gehoord dan gezien: de luide, doordringende fluittonen klinken uit het bladerdak, waar de vogel zelf meestal verborgen zit.

Geelbuikbreedbektiran (Tolmomyias flaviventris)
Foto: Hector Bottai — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks van drie tot vijf luide, doordringende fluittonen met korte pauzes ertussen, als sjrieep... sjrieep... sjrieep, vaak vanaf een verborgen plek in de kroon en vooral rond zonsopgang. Daarnaast een enkel swie-iep en een korte, droge ratel.

Luister: ZangXC1172818

Opname: Mateus Gonçalves Santos — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm. Kop en bovendelen zijn geelachtig olijfgroen. Teugels en oogring zijn okergeel, wat het gezicht een warme tint geeft; de iris is donkerbruin. De donkere vleugels hebben twee gele vleugelstrepen. De onderdelen zijn helder geel, met een olijf-okerkleurige waas op keel en borst. De snavel is breed en plat, donkergrijs tot zwart. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De groenkapbreedbektiran Tolmomyias sulphurescens heeft een grijzige kruin, een witachtige streep boven de teugel, een lichte iris en een grijzer gekleurde keel en borst. De geelbuikelenia Elaenia flavogaster is groter, heeft een kuif en een smalle snavel. De goudvoorhoofdvireo Pachysylvia aurantiifrons heeft een spitse snavel, geen vleugelstrepen en een goudgeel voorhoofd.

Leefgebied

Mangrove, droog en halfgroenblijvend bos, kustbos, bosranden, beboste savanne en cacaoaanplant, ook tuinen met grote bomen, in het laagland. Zoekt in de kroon en de middelste laag naar insecten en eet ook bessen. Het nest is een peervormige zak van worteltjes en plantenvezels met een ingangsbuis die van onderen naar binnen leidt, hangend aan een tak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel op Trinidad en Tobago, op beide eilanden verspreid in het laagland. Elders in het gebied ontbreekt de soort. Buiten het gebied in het noorden van Zuid-Amerika, van Colombia en Venezuela door de Guyana's tot in het Amazonegebied en het oosten van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Trinidad onder meer in de Aripo-savanne en in mangroven; op Tobago in bosranden en tuinen. De fluittonen zijn het beste aanknopingspunt; daarna geduldig de kroon afzoeken naar een kleine, gele vogel met een brede snavel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied en komt ook voor in secundaire begroeiing, plantages en tuinen.

Wetenschappelijke naam

Tolmomyias flaviventris | (Wied-Neuwied, 1831)

Wied-Neuwied beschreef de soort in 1831 als Muscipeta flaviventris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tolmomyias werd in 1927 ingevoerd door Hellmayr. Tolmomyias is Grieks, van tolma 'stoutmoedigheid' en muias 'vlieg' (vliegenvanger): 'brutale vliegenvanger'. flaviventris is Latijn, van flavus 'geel' en venter 'buik', naar de gele onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Bahia, Brazilië.