Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Gewoon ekstertje
Gewoon ekstertje | Spermestes cucullata
Bronze Mannikin | Capuchino Bronceado
Het gewoon ekstertje is een kleine prachtvink uit Afrika ten zuiden van de Sahara en een van de kleinste nonnetjes. Op Puerto Rico leeft al lang een gevestigde populatie; daar is het een van de algemeenste ingevoerde zaadeters van het open land. Het leeft het hele jaar in groepjes, die ook samen slapen in een bolvormig slaapnest.
Geluid
Een zacht, zoemend rriep of rriep-rriep als contactroep, vooral in de vlucht, en verschillende piepende en zoemende geluiden vanaf de zitplaats. De zang is een korte, zachte reeks herhaalde tonen.
Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
9–10 cm, klein en gedrongen, met een korte staart en een tweekleurige snavel: de bovensnavel zwartachtig, de ondersnavel blauwgrijs. Kop, keel en bovenborst zijn zwartbruin met een groene en paarse glans. De bovendelen zijn grijsbruin, de stuit en bovenstaartdekveren zwart-wit gebandeerd en de staart zwart. De onderdelen zijn wit, met bruine bandering op de flanken en een glanzend groene vlek op de schouder en aan de borstzijde. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn egaal lichtbruin, van onder bleker en zonder donkere kop, met een donkere snavel; pas na enkele maanden krijgen ze het volwassen kleed.
Verwarringssoorten
Volwassen vogels zijn herkenbaar aan de combinatie van donkere kop, witte buik en gebandeerde flanken. De muskaatvink Lonchura punctulata is groter, met een bruine kop en geschubde onderdelen; de driekleurennon Lonchura malacca heeft een kastanjebruine rug en een zwarte buik. Het mannetje van de maskergrondvink Melanospiza bicolor heeft eveneens een zwarte kop en borst, maar een olijfgroene rug, een spitse zwarte snavel en geen witte buik. Jonge vogels lijken sterk op jonge muskaatvinken en zijn vooral op formaat en gezelschap te herkennen.
Leefgebied
Open en halfopen laagland: grazige bermen, weiden, braakliggend land, randen van suikerrietvelden, parken en tuinen, ook in de stad. In Afrika bewoont het vochtige savanne en bosranden. Eet vooral graszaden, die het van de aren plukt of van de grond raapt; daarnaast termieten en nectar. Bouwt een bolvormig nest van gras met een ingang aan de zijkant in een struik of boom, en maakt daarnaast slaapnesten die steeds opnieuw worden opgebouwd. Kan meerdere legsels per jaar grootbrengen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Ingevoerd en gevestigd op Puerto Rico, waar het over een groot deel van het laagland voorkomt. Daarbuiten zijn er slechts enkele losse meldingen, onder meer van Martinique en Cuba; een populatie is daar niet bekend. Van nature in Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië en zuidelijk tot Zuid-Afrika, en op eilanden als Bioko, Pemba, Zanzibar en de Comoren.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Puerto Rico vrijwel overal waar grazige bermen en braakliggende terreinen met zaad liggen, ook in stadsparken en op bedrijventerreinen. Groepjes vallen vaak op door de zoemende vluchtroep; ze zitten graag in een rij op grashalmen of een hek.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in grote delen van Afrika algemeen. Op Puerto Rico een gevestigde exoot; nadelige effecten op inheemse soorten zijn niet aangetoond.
Wetenschappelijke naam
Spermestes cucullata | Swainson, 1837 (GBIF: Lonchura cucullata)
Swainson beschreef de soort in 1837 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Spermestes voerde hij in datzelfde werk in. Spermestes komt van het Griekse sperma, 'zaad', en -estēs, 'eter' (van esthiō, 'eten') — naar het dieet van graszaden. cucullata is Latijn voor 'met een kap' — naar de donkere kop, die als een kapje afsteekt tegen de rest van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.



