Alle soorten › Zangvogels › Manakins › Goudkopmanakin

Goudkopmanakin | Ceratopipra erythrocephala

Golden-headed Manakin | Saltarín cabecidorado

De goudkopmanakin is de kleinste manakin van het gebied en op Trinidad algemeen in vochtig bos. De mannetjes baltsen hoger in het bos dan de bonte manakin, op horizontale takken in de middelste laag, met snelle vluchtjes tussen takken, zoemende roepen en snelle schuifelbewegingen over de tak. De soort werd vroeger in het geslacht Pipra geplaatst.

Goudkopmanakin (Ceratopipra erythrocephala)
Foto: Mike & Chris — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een kort, scherp zit, op de baltsplaats vaak herhaald, en een zoemende reeks pir-pir-prrrrrt. Bij de baltsvluchten maken de vleugels een snorrend geluid.

Luister: ZangXC1181641

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

9–10 cm, klein en gedrongen, met een zeer korte staart. Het mannetje is glanzend zwart met een goudgele kop, die aan de onderrand een smal roodachtig randje heeft. Het oog is wit, de snavel geelachtig, en de dijen zijn wit en rood, vooral te zien tijdens de balts. De poten zijn roze tot vleeskleurig. Het vrouwtje is olijfgroen, op de onderdelen lichter en grijziger, met een grijs oog. Jonge mannetjes lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

Het mannetje lijkt in het gebied op geen andere soort. Het vrouwtje is van het vrouwtje van de bonte manakin Manacus manacus te onderscheiden door het kleinere formaat en de vleeskleurige tot grijze poten in plaats van oranje. De prachtmanakin Chiroxiphia pareola leeft alleen op Tobago, waar de goudkopmanakin ontbreekt.

Leefgebied

Vochtig bos, tweede groei en bosranden, ook cacaoplantages, van het laagland tot in de bergen. Eet vooral kleine vruchten, die in de vlucht worden geplukt, aangevuld met insecten en spinnen. De mannetjes baltsen in losse groepen van tot ongeveer twaalf vogels op horizontale takken, 6–12 m boven de grond. Het vrouwtje bouwt een ondiep komnest laag in een boom; de twee eieren worden 16–17 dagen bebroed. Het broedseizoen loopt van januari tot augustus, met een piek van maart tot juli.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen op Trinidad, waar de soort algemeen is in bosgebieden over het hele eiland; op Tobago ontbreekt ze. Buiten het gebied van het oosten van Panama door het noorden van Zuid-Amerika tot in het noorden van het Amazonebekken.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de bossen van de Northern Range, bijvoorbeeld bij het Asa Wright Nature Centre. De zoemende roepen en het snorren van de vleugels verraden de baltsplaats; de mannetjes zitten daar in de middelste laag van het bos, vaak op een kale horizontale tak.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en ook in tweede groei en plantages aanwezig.

Wetenschappelijke naam

Ceratopipra erythrocephala | (Linnaeus, 1758) (GBIF: Pipra erythrocephala)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als [Parus] erythrocephalus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ceratopipra werd in 1854 ingevoerd door Bonaparte. Ceratopipra is Grieks keras 'hoorn' plus het geslacht Pipra, naar de hoornachtige kuifveren van de typesoort, de Gehoornde Manakin. erythrocephala is Grieks voor 'roodkop', van eruthros 'rood' en kephalē 'kop', naar de goudrode kop van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Suriname.