Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Groene reiger

Groene reiger | Butorides virescens

Green Heron | Garcita verdosa

De groene reiger is de kleine, gedrongen reiger van mangrove, vijvers en beekoevers op vrijwel elk eiland. Hij jaagt van een tak of wortel vlak boven het water, met ingetrokken hals, en schiet dan bliksemsnel naar een visje. Op Cuba heet hij aguaitacaimán. In sommige indelingen wordt hij samen met de mangrovereiger Butorides striata als één soort opgevat; in deze gids staan beide apart.

Groene reiger (Butorides virescens)
Foto: Pascal Aleixandre — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Bij het opvliegen een luid, schor skeuw of kjouk; daarnaast zachte, droge kuk-kuk-kuk-roepjes, vooral bij onrust.

Luister: VluchtroepXC1014824

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

40–48 cm, met korte poten, een dikke hals die meestal is ingetrokken en een lange, puntige, donkere snavel met een lichtere ondersnavel. Volwassen vogels hebben een donkere, groenzwarte kruin met een kuif die bij opwinding wordt opgezet, een kastanjebruine hals met een witte streep langs het midden van de keel en een donker blauwgrijze rug met groene glans. De vleugeldekveren zijn smal licht gezoomd. De poten zijn geel tot oranje, in de broedtijd feller. Jonge vogels zijn bruiner, met dichte bruine en witte strepen op hals en borst en lichte vlekjes op de vleugeldekveren. In de vlucht oogt de vogel donker, met trage, diepe slagen.

Verwarrings­soorten

De mangrovereiger Butorides striata, op Trinidad en Tobago de gewone soort, heeft een grijze in plaats van kastanjebruine hals; tussenvormen komen voor en zijn niet altijd toe te wijzen. Jonge kwakken Nycticorax nycticorax en geelkruinkwakken Nyctanassa violacea zijn groter en grijsbruin met witte druppels op de vleugels, met een dikkere snavel en langere poten. De kleine blauwe reiger Egretta caerulea is slanker en langhalzig, met een egaal donkere hals.

Leefgebied

Mangrove, oevers van vijvers, kanalen, rivieren en beken, zoetwatermoerassen en moerasbos, rijstvelden en viskwekerijen; ook kleine plassen in stads- en hotelparken en rotsige kustjes met beschutting. Jaagt meestal alleen, staand of laag zittend aan de waterkant, op kleine vissen, kikkers, krabben en insecten. Er zijn gevallen bekend van groene reigers die aas, zoals een broodkruim of veertje, op het water leggen om vis te lokken. Broedt alleen of in kleine groepen; het nest is een dun platform van takjes in een boom of struik, vaak boven of nabij water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de eilanden van de Kleine Antillen, de ABC-eilanden en San Andrés. Op Trinidad en Tobago wordt de soort vooral in de noordelijke winter gezien; daar is de mangrovereiger de broedvogel. Trekvogels uit Noord-Amerika vullen in de winter de aantallen aan, vooral in het noorden van het gebied. Buiten het gebied broedt de soort van het zuiden van Canada en het oosten en westen van de Verenigde Staten door Mexico tot Panama.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste aan de randen van mangrove en begroeide vijvers, waar de vogel laag op een tak of wortel boven het water zit. Bij een ongestoorde nadering blijft hij vaak lang roerloos; de schorre roep bij het opvliegen verraadt de vogel dikwijls eerder dan het zicht. Vogels met een grijze hals op Trinidad en Tobago zijn mangrovereigers.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort komt ook voor bij door de mens aangelegd water, zoals waterbekkens, zuiveringsvijvers en golfbaanvijvers. Plaatselijk gaat leefgebied verloren door kap van mangrove en het opvullen van wetlands.

Wetenschappelijke naam

Butorides virescens | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ardea virescens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Butorides werd in 1852 ingevoerd door Blyth. Butorides verbindt Butor, het geslacht dat Thomas Forster in 1827 voor de roerdompen invoerde, met het Griekse -oides 'gelijkend op'. virescens is Latijn voor 'groenachtig', naar de groene glans op kruin en rug. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de kust van South Carolina.