Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Hispaniolaregenkoekoek
Hispaniolaregenkoekoek | Coccyzus rufigularis
Bay-breasted Cuckoo | Cuco de lluvia de La Española
De Hispaniolaregenkoekoek is een grote, bedreigde koekoek die alleen op Hispaniola leeft, tegenwoordig vrijwel uitsluitend in de Dominicaanse Republiek. In het land heet hij cúa of tacó. Hij is zeldzaam geworden door bosverlies en door jacht, die deels voortkomt uit bijgeloof en volksgeneeskunde. Samen met de Jamaicaanse regenkoekoek stond hij vroeger in het geslacht Hyetornis.
Geluid
Een krachtig kwa, vaak gevolgd door een versnellend oe-ak-oe-ak-ak-ak-ak-ak-ak. Daarnaast een blatend geluid dat aan een lam doet denken.
Opname: Mitch Walters — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
46–51 cm, waarvan ongeveer de helft staart. De bovendelen zijn grijs, met kastanjebruin in de handpennen; ook het gezicht is grijs. Kin, keel en borst zijn donker kastanjebruin, de buik lichter roodbruin. De snavel is zwaar en gebogen, met een zwarte bovensnavel en een gele ondersnavel. De lange, getrapte staart is donker met witte eindvlekken. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De Hispaniolahagedissenkoekoek Coccyzus longirostris leeft in dezelfde bossen en is bijna even groot, maar heeft een lange, vrijwel rechte snavel, rode naakte huid rond het oog en een lichtgrijze borst tussen een roodbruine keel en buik; de donkere, kastanjebruine borst en de gele ondersnavel van de Hispaniolaregenkoekoek ontbreken. De mangrovekoekoek Coccyzus minor is veel kleiner, met een zwart masker en een okerkleurige onderzijde. De geelsnavelkoekoek Coccyzus americanus is eveneens veel kleiner en van onderen wit.
Leefgebied
Laagland en heuvelland tot ten minste 900 m, vooral in de smalle overgangszone tussen droog en vochtig loofbos. Eet grote insecten, rupsen en larven, hagedissen en muizen; de jongen worden vooral met cicaden gevoerd. Het nest ligt 3 tot 6 m boven de grond in een boom of dichte struik. De broedtijd loopt van februari tot het begin van de regentijd in juni; het legsel telt twee of drie eieren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Alleen op Hispaniola. In de Dominicaanse Republiek vooral in het zuidwesten en westen: de Sierra de Bahoruco en de Sierra de Neiba met de omgeving van Puerto Escondido en La Descubierta, verder rond Azua en Baní, in de provincie Elías Piña rond Bánica en Pedro Santana, en in het Nationaal Park Nalga de Maco. Uit Haïti zijn slechts weinig meldingen bekend; de soort is daar mogelijk uit het grootste deel van het land verdwenen. Buiten Hispaniola komt hij niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De bosranden rond Puerto Escondido aan de voet van de Sierra de Bahoruco zijn het bekendste gebied, maar ook daar is de soort schaars en leeft verborgen. De roep, in het broedseizoen vooral vroeg in de ochtend, is het beste aanknopingspunt. Kenmerken zijn het formaat van een grote koekoek, de donkere kastanjebruine borst en de gele ondersnavel.
Staat van instandhouding
Bedreigd. De populatie wordt geschat op 300 tot 2900 volwassen vogels en neemt af. De belangrijkste oorzaken zijn ontbossing voor landbouw en houtskoolwinning, aantasting van het bos door begrazing en jacht. Op het platteland wordt de vogel uit bijgeloof gedood en wordt zijn vlees in de volksgeneeskunde gebruikt, onder meer als middel tegen gewrichtsklachten en om de eetlust van kinderen op te wekken. De Sierra de Bahoruco en Nalga de Maco zijn beschermde gebieden.
Wetenschappelijke naam
Coccyzus rufigularis | Hartlaub, 1852 (GBIF: Hyetornis rufigularis)
Hartlaub beschreef de soort in 1852 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Coccyzus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Coccyzus is Grieks, van kokkuzō 'koekoek roepen', naar de roep van de koekoek. rufigularis is Latijn, van rufus 'roodbruin' en gula 'keel', naar de roodbruine keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bergbossen van de Dominicaanse Republiek.

