Alle soorten › Zangvogels › Spindalissen › Jamaicaanse spindalis
Jamaicaanse spindalis | Spindalis nigricephala
Jamaican Spindalis | Cigua jamaicana
De Jamaicaanse spindalis is de grootste van de vier spindalissen, een familie van vruchtenetende zangvogels die alleen in het Caribisch gebied voorkomt. Hij komt over heel Jamaica voor, het talrijkst in het heuvel- en bergland, en is vaak in paren of familiegroepjes bij vruchtdragende bomen te zien.
Geluid
Een vrij stille soort. In de vlucht een zacht, zwak siep; foeragerende groepen geven een snel, hoog tsji-tsji-tsji-tsji-tsji. Mannetjes zingen vanaf open zitplaatsen, en bij verstoring klinken krassende of ratelende geluiden. Daarnaast een zachte fluisterzang.
Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 18 cm, met een korte, dikke snavel. Het mannetje heeft een zwarte kop met een brede witte wenkbrauwstreep tot in de nek en een lange, brede witte baardstreep; kin en bovenkeel zijn wit. De rug is geel-olijf, de stuit en bovenstaartdekveren oranje. De borst is geeloranje en gaat over in geel op de buik, met wit op de onderbuik en de onderstaartdekveren. Vleugels en staart zijn zwart met witte randen. Het vrouwtje is grijsolijf op kop, keel en bovendelen, met een licht oranjegele borst, een lichtgele buik en een vage gezichtstekening.
Verwarringssoorten
Op Jamaica geen andere spindalis. De witvleugeltroepiaal Icterus leucopteryx is geel met een zwarte keel en een witte vleugelvlek, maar heeft een spitse snavel en geen witte strepen op de kop. Het mannetje van de Jamaicaanse suikervogel Euneornis campestris is grijsblauw met een oranje keel en een dunne, gebogen snavel. De Jamaicaanse organist Euphonia jamaica is veel kleiner en grijsblauw tot olijf, zonder kopstrepen.
Leefgebied
Vochtig en halfgroen bos, bergbos, bosranden, open bos en struikgewas met vruchtdragende bomen en struiken, van zeeniveau tot in de bergen; ook koffieplantages en tuinen. Eet vooral vruchten en bessen van een groot aantal inheemse en ingevoerde planten, aangevuld met bladeren en bloesem, en hangt daarbij soms acrobatisch aan de takken. Broedt van april tot juli in een losse kom van gras en worteltjes; het legsel telt twee of drie eieren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Alleen op Jamaica, over het hele eiland, het talrijkst in het binnenland en de bergen en plaatselijk aan de kust. Buiten Jamaica komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Te vinden in de Blue Mountains, in Cockpit Country en in tuinen met vruchtdragende bomen in het heuvelland. Vruchtdragende bomen langs bosranden zijn de beste plek; de vogels zitten daar vaak open en laten zich goed bekijken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is algemeen en past zich aan bosranden, tuinen en plantages aan.
Wetenschappelijke naam
Spindalis nigricephala | (Jameson, 1835)
Jameson beschreef de soort in 1835 als Tanagra nigricephala; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spindalis werd in 1837 ingevoerd door Jardine & Selby. Spindalis komt van het Griekse spindalos of pindalos, een onbekende Indiase vogel die verwant zou zijn aan de attagas (een hoen). nigricephala is Latijn/Grieks voor 'zwartkop', van niger 'zwart' en kephalē 'kop', naar de zwarte kop van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jamaica.





