Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kanoet

Kanoet | Calidris canutus

Red Knot | Correlimos gordo

De kanoet is een middelgrote, gedrongen strandloper die broedt in het hoge noorden en tot de verst trekkende vogels ter wereld behoort. De Amerikaanse ondersoort rufa vliegt van Arctisch Canada tot Vuurland; een deel van de populatie overwintert in het zuidoosten van de Verenigde Staten, het Caribisch gebied en Noord-Brazilië. In het gebied is de kanoet een vrij schaarse doortrekker en wintergast, het talrijkst op grote wadplaten en zoutpannen.

Kanoet (Calidris canutus)
Foto: DickDaniels (http://theworldbirds.org/).org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, laag knut of wut-wut, waaraan de soort haar Nederlandse en Engelse naam ontleent; in groepen ook een gedempt gekwetter.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1162054

Opname: Arend Wassink — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

23–26 cm, groter en zwaarder dan de meeste strandlopers, met een korte hals, korte groengrijze poten en een rechte, zwarte snavel ongeveer zo lang als de kop. In winterkleed egaal lichtgrijs van boven, met fijne donkere schachtstreepjes, een witte wenkbrauwstreep en een witte buik met grijs bespikkelde borst en flanken. Jonge vogels hebben op de bovendelen een fijn schubbenpatroon door donkere en lichte veerranden en een licht beige zweem op de borst. In broedkleed, in het voorjaar soms al te zien, zijn gezicht en onderdelen roestrood. In vlucht een smalle witte vleugelstreep en een lichtgrijze, fijn gebandeerde stuit.

Verwarrings­soorten

De kleine en grote grijze snip Limnodromus griseus en L. scolopaceus hebben een veel langere snavel. De drieteenstrandloper Calidris alba is kleiner en witter, met een zwarte vleugelboeg. De zilverplevier Pluvialis squatarola heeft een kortere, dikkere snavel, grotere ogen en de typische stop-en-pik-wijze van foerageren.

Leefgebied

Getijdenvlakten, modderbanken en zandplaten, de ondiepe randen van zoutpannen en lagunes, soms brede zandstranden. Foerageert in compacte groepen, lopend met de kop omlaag en snel prikkend naar kleine schelpdieren, kreeftjes en wormen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Doortrekker en wintergast, vooral op de Bahama's, Cuba, Puerto Rico, de ABC-eilanden (met name Bonaire), Guadeloupe, Barbados en Trinidad; in kleiner aantal op de Turks- en Caicoseilanden, de Kaaimaneilanden, Hispaniola, de Maagdeneilanden en San Andrés. Op Jamaica en veel eilanden van de Kleine Antillen zeldzaam of onregelmatig. Buiten het gebied broedt de soort op de hoogarctische toendra rond de Noordpool en overwintert ze langs kusten van alle continenten.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Grote wadplaten en zoutpannen in de trektijd, zoals de zoutpannen van Bonaire en Puerto Rico. De vogels mengen zich vaak tussen andere steltlopers; op de compacte bouw, de rechte snavel en de korte poten letten.

Staat van instandhouding

Wereldwijd gevoelig (Near Threatened); de ondersoort rufa is sterk achteruitgegaan, onder meer door overbevissing van degenkrabben, waarvan de eieren een sleutelrol spelen als voedsel tijdens de voorjaarstrek, en staat in de Verenigde Staten en Canada als bedreigd te boek. In het gebied zijn ongestoorde wadplaten en zoutpannen van belang als rust- en foerageerplaats.

Wetenschappelijke naam

Calidris canutus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa Canutus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. canutus wordt vanouds in verband gebracht met koning Knoet, naar het verhaal dat hij het tij gebood en naar het foerageren van de kanoet langs de vloedlijn, maar historische grond daarvoor ontbreekt. Een andere verklaring is dat de naam de knorrende roep nabootst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.