Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Klapperral

Klapperral | Rallus crepitans

Clapper Rail | Rascón crepitante

De klapperral is de grote, grijsbruine ral van de mangrove en de zoute kustmoerassen, met een lange, licht gebogen snavel. Hij dankt zijn naam aan de luide, klapperende roepreeksen die bij schemering en bij het wisselen van het getij door de mangrove rollen. In het Caribisch gebied is hij de ral van de mangrove van de Bahama's tot Guadeloupe. Op Cuba heet hij gallinuela de manglar, op Puerto Rico pollo de mangle.

Klapperral (Rallus crepitans)
Foto: Polinova — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, droge, klapperende reeks kek-kek-kek-kek-kek of tchak-tchak-tchak, die eerst versnelt en daarna vertraagt. Vaak roepen meerdere vogels kort na elkaar, zodat de roep zich door de mangrove voortplant; vooral in de schemering, 's nachts en bij wisseling van het getij.

Luister: ZangXC1148841

Opname: Scott McConnell — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

32–41 cm, met een lange, slanke, iets naar beneden gebogen snavel, bruinachtig met een oranjegele basis van de ondersnavel. De bovendelen zijn grijsbruin met donkere veercentra en grijze randen, wat een vaag gestreept patroon geeft. Wang grijs, keel wit, een smalle witte wenkbrauwstreep. Hals en borst zijn vaal grijsbruin tot licht bruinachtig. Flanken en buik zijn grijs tot zwartachtig met witte dwarsbanden; de onderstaart is wit. De poten zijn grijsbruin tot dof oranje. De seksen zijn gelijk; het mannetje is iets groter. Jonge vogels zijn donkerder, met vagere flankbanden. Loopt met opgewipte, korte staart tussen de mangrovewortels en vliegt zelden.

Verwarrings­soorten

De koningsral Rallus elegans, op Cuba de zoetwatertegenhanger, is warmer gekleurd, met een roestbruine hals en borst, bruine wangen en scherper contrasterende bovendelen. De soraral Porzana carolina, een wintergast, is veel kleiner, met een korte gele snavel. Op Trinidad leeft in de mangrove niet de klapperral maar de sterk gelijkende grijze ral Rallus longirostris.

Leefgebied

Mangrove, zoute en brakke kustmoerassen, getijdenkreken en slikoevers, ook rond zoutpannen en lagunes met mangroverand. Foerageert op modder en in ondiep water, vooral bij laagwater, op krabben, garnalen, weekdieren, insecten en kleine vissen. Het nest is een kom van plantenmateriaal in de mangrove of in dichte vegetatie, kort boven de vloedlijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel op de Bahama's en de Turks- en Caicoseilanden, op Cuba (inclusief Isla de la Juventud en de kustcayos), Jamaica, Hispaniola en Puerto Rico, op de Maagdeneilanden en in de Kleine Antillen tot Antigua, Barbuda en Guadeloupe. Op de Kaaimaneilanden en Martinique zijn er slechts weinig waarnemingen. Op Trinidad wordt hij vervangen door de grijze ral. Buiten het gebied langs de Atlantische kust en de Golfkust van de Verenigde Staten, van Connecticut tot het noordoosten van Mexico, en in het noordoosten van het schiereiland Yucatán en Belize.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In vrijwel elk groter mangrovegebied binnen het areaal, bij laagwater aan de rand van de mangrove of vanaf een pad of steiger langs een getijdenkreek. De roep verraadt de vogels veel vaker dan dat ze gezien worden; na een roepreeks lopen ze soms even over open slik.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het Caribisch gebied staat de soort plaatselijk onder druk door het kappen en opvullen van mangrove voor bebouwing en toerisme, door vervuiling en door predatie door ingevoerde mangoesten en ratten. Op sommige eilanden wordt de soort ook bejaagd.

Wetenschappelijke naam

Rallus crepitans | Gmelin, 1789

Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Rallus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Rallus is de naam die Engelse vogelkundigen als Willughby en Albin al vóór Linnaeus voor de waterral gebruikten; de precieze herkomst van het woord is onzeker. crepitans is Latijn voor 'klepperend, ratelend', naar de luide, ratelende roep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Long Island, New York.