Alle soorten › Kraanvogelachtigen

Kraanvogelachtigen | Gruiformes

Cranes, rails and allies | Grullas y rálidos

Kraanvogels, rallen en vinpootkoeten lijken uiterlijk weinig op elkaar; ze worden vooral op moleculaire gegevens en op kenmerken van het skelet samengenomen. Wat ze delen is een bestaan op de bodem van moerassen, rietkragen, seizoenspannen en natte graslanden: lange poten met lange, ongewebde tenen die het gewicht verdelen over zachte modder en drijvende planten, een klein en hoog ingeplant achterteentje, brede ronde vleugels en een korte staart, zodat de poten in de vlucht voorbij het staarteinde steken. Veel soorten ruien de slagpennen in één keer en kunnen dan enkele weken niet vliegen. Het nest ligt op de grond of op een platform in de vegetatie; de jongen komen ziend en in donsjas uit het ei, verlaten het nest binnen enkele dagen en worden de eerste tijd nog door beide ouders gevoerd. In het halfdroge binnenland zijn verschillende soorten aan de regens gebonden: ze verschijnen binnen enkele weken op pannen en vleien die het grootste deel van het jaar droogliggen, en verdwijnen weer zodra die opdrogen.

Families in deze orde

  • Koerlan | Aramidae1 soortDe koerlan (Aramus guarauna) is de enige soort van deze familie, een vogel van moerassen, rivieroevers en ondergelopen bossen van het zuidoosten van de Verenigde Staten tot Argentinië. Binnen zijn orde is hij het naast verwant aan de kraanvogels, maar in bouw lijkt hij eerder op een grote ral of een ibis: lange poten, een lange hals en een lange, licht gebogen snavel, met een donkerbruin verenkleed dat op kop, hals en rug fijn wit gestreept en gevlekt is. De snavelhelften sluiten vlak voor de punt niet helemaal en de punt is vaak iets gedraaid, wat helpt om het weekdier uit het huisje van een appelslak te trekken zonder het te breken. Appelslakken vormen het hoofdvoedsel, aangevuld met mosselen, kreeftjes en andere kleine dieren. De roep is een luid, jammerend, herhaald 'krie-auw', vooral in de schemering en 's nachts. De vlucht is stijf, met een schokkerige opwaartse slag. In het gidsgebied broedt de koerlan op de Grote Antillen, vooral op Cuba, Jamaica en Hispaniola.
  • Kraanvogels | Gruidae1 soortGrote vogels met lange hals en lange poten die, anders dan reigers, met gestrekte hals vliegen; de verlengde binnenste armpennen hangen als een pluim over de staart en zijn bij sommige soorten tot slepende, haarfijne veren uitgegroeid. Bij de soorten van het geslacht Grus is de luchtpijp verlengd en in het borstbeen opgerold, wat de ver dragende trompettoon verklaart die een paar vaak in duet uitbrengt; de kroonkraanvogels missen die lus en laten in plaats daarvan een blazende, toeterende roep horen, versterkt door een rode keelzak. De snavel is recht en middellang: ze foerageren lopend over grasland, vlei, akker en ondergelopen vlakte, graven knollen en wortels op en pikken daarnaast zaad, insecten en kleine gewervelden. De achterteen is bij de meeste soorten klein en hoog ingeplant, zodat ze niet in bomen kunnen zitten; alleen de kroonkraanvogels hebben een lange, laag geplaatste achterteen en overnachten in boomtoppen. Het legsel bestaat uit één tot drie eieren op een hoop plantaardig materiaal in of naast ondiep water, en het jong blijft de eerste maanden bij de ouders.
  • Rallen | Rallidae14 soortenHet lichaam is zijdelings afgeplat, zodat de vogel zich tussen dicht riet en zeggen door kan wringen; de tenen zijn opvallend lang, bij de zwemmende soorten met gelobde zwemvliezen. De vleugels zijn kort en rond: over korte afstand vliegen ze fladderend en met bungelende poten, al trekken veel soorten 's nachts over grote afstanden. De korte staart wordt bij het lopen omhoog gewipt, waarbij de vaak lichte onderstaart opvalt, en de snavel loopt van kort en kegelvormig tot lang en dun, naar het voedsel dat gezocht wordt. Het nest is een kom van stengels en bladeren, verborgen boven ondiep water; de legsels zijn groot en de zwarte donsjongen volgen de ouders binnen een dag en worden snavel aan snavel gevoerd.