Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Kleine Cubavink

Kleine Cubavink | Phonipara canora

Cuban Grassquit | Tomeguín del pinar

De kleine cubavink is een endemisch grondvinkje van Cuba, waar het tomeguín del pinar heet. Het is een gewilde kooivogel om zijn zang, en in het begin van de jaren zestig werd het op New Providence in de Bahama's uitgezet, waar het zich heeft gevestigd. Buiten de broedtijd vormt het groepjes, soms samen met de grote cubavink.

Kleine Cubavink (Phonipara canora)
Foto: Dave Wendelken — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een korte tsjip als roep. Daarnaast een raspend, hoog geluid dat wel met de zang van de bijkolibrie vergeleken wordt, en een welluidend fluitje, waaraan de Engelse bijnaam Melodious Grassquit ontleend is.

Luister: RoepXC994766

Opname: FREDERIC Lionel — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm, met een korte, zwarte, kegelvormige snavel en roze poten. Het mannetje heeft olijfgroene bovendelen, een grijsolijf kruin en een zwart gezicht en keel. Een helder gele halvemaan loopt van boven het oog om de oorstreek naar de onderkeel en is in het midden vaak onderbroken. De onderborst is zwart, buik en borstzijden grijs. Het vrouwtje is doffer, met een donker kastanjebruin in plaats van zwart gezicht, een bleker gele halvemaan en een geheel grijze borst. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn nog doffer.

Verwarrings­soorten

De grote cubavink Tiaris olivaceus heeft een gele wenkbrauwstreep en een gele keel; bij het mannetje is de keel geel en de borst zwart, zonder gele halvemaan om het oorgebied. De maskergrondvink Melanospiza bicolor, op Cuba alleen op enkele cayos voor de noordkust, mist alle geel.

Leefgebied

Bosranden, struikgewas, droog bos en halfdroog terrein, pijnbos, kuststruweel, koffie- en citrusplantages en ander landbouwgebied met ruigte, van zeeniveau tot middelhoog in de bergen. Het eet vooral zaden, daarnaast kleine vruchten en jonge scheuten, vaak op de grond; zaden worden ook van stengels geplukt met een sprongetje omhoog. Mannetjes verdedigen fel een territorium. Beide ouders bouwen een omvangrijk, bolvormig nest van droog gras met een ingang aan de zijkant, vaak laag in stekelige begroeiing. Het broedseizoen loopt van maart tot oktober; het legsel telt twee of drie eieren.

Verspreiding en trek

Op heel Cuba, inclusief Isla de la Juventud, vrij algemeen. Ingevoerd op New Providence in de Bahama's, waar het zich heeft gevestigd. Elders in het gebied niet vastgesteld; enkele waarnemingen in Florida betreffen vermoedelijk ontsnapte kooivogels.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bosranden en ruigten in het westen van Cuba, zoals rond Soroa in de Sierra del Rosario, zijn kansrijk. Groepjes grondvinken op de grond zijn het nalopen waard: de gele halvemaan om het oorgebied onderscheidt deze soort van de grote cubavink.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is op Cuba vrij algemeen, maar bij nederzettingen wordt plaatselijk een afname gemeld. Vangst voor de kooivogelhandel en ontbossing worden als bedreigingen genoemd.

Wetenschappelijke naam

Phonipara canora | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Loxia canora; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phonipara werd in 1850 ingevoerd door Bonaparte. Phonipara combineert Grieks phōnē 'stem' met Latijn parus 'mees': een 'zingende mees', naar de liedjes van dit vinkje. canora is Latijn voor 'welluidend, melodieus', naar de zang. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cuba (oorspronkelijk abusievelijk 'Nieuw-Spanje', Mexico).