Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Lachmeeuw

Lachmeeuw | Leucophaeus atricilla

Laughing Gull | Gaviota guanaguanare

De lachmeeuw is de enige meeuw die in het Caribisch gebied op grote schaal broedt en de meeuw die in havens, baaien en op stranden het meest wordt gezien. De naam verwijst naar de luide, lachende roepreeks. In de zomer is de soort op vrijwel alle eilanden algemeen; in de winter trekken veel Caribische broedvogels zuidwaarts en komen er noordelijke vogels bij, vooral in de Grote Antillen.

Lachmeeuw (Leucophaeus atricilla)
Foto: Peter Wallack — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het bekendste geluid is een lange reeks hoge, lachende roepen, ha-ha-ha-haah-haah, aan het eind langgerekt; verder een nasaal kie-ah en korte ka-roepen.

Luister: VluchtroepXC1033924

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

36–41 cm, met lange, smalle vleugels en een lange, iets hangende snavel. Volwassen vogels hebben een donker leigrijze mantel en vleugels, zwarte vleugelpunten met hooguit kleine witte puntjes, een witte achterrand aan de vleugel en donkere poten. In het broedkleed is de kop zwart met een onderbroken witte oogring en is de snavel donkerrood; in winterkleed is de kop wit met een grijze waas op achterhoofd en oorstreek, en is de snavel zwart. De soort doet drie jaar over het volwassen kleed. Eerstejaarsvogels zijn grijsbruin op kop, borst en vleugels, met een grijze mantel, donkere vleugels en een brede zwarte eindband op de witte staart.

Verwarrings­soorten

De Franklins meeuw Leucophaeus pipixcan is kleiner, met een rondere kop, een kortere snavel, bredere witte oogboogjes, een donkere halve kap in winterkleed en een witte band tussen grijs en zwart op de vleugelpunt. De ringsnavelmeeuw Larus delawarensis is groter en lichter grijs, met een gele snavel met zwarte ring. De kokmeeuw Chroicocephalus ridibundus en de kleine kokmeeuw Chroicocephalus philadelphia zijn lichter grijs, met een witte voorrand aan de handpennen.

Leefgebied

Kustwater, baaien, havens, stranden, zoutpannen, mangrovelagunes en riviermondingen; volgt vissersboten en zoekt voedsel bij visafslagen en vuilnisbelten. Pikt voedsel vliegend van het water, loopt op stranden en wadden en steelt vis van bruine pelikanen. Broedt in kolonies op kleine eilandjes en cays, in lage begroeiing of tussen rotsen.

Verspreiding en trek

Broedvogel in het hele gebied: de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago. In de winter schaarser in de Kleine Antillen en het zuiden, maar dan meer vogels in de Grote Antillen en op de Bahama's. Buiten het gebied broedt de soort langs de Atlantische en Golfkust van Noord-Amerika, in Mexico en langs de noordkust van Zuid-Amerika, en overwintert ze zuidelijk tot Peru en Brazilië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In havens, bij visafslagen en op stranden is de soort in het broedseizoen vrijwel overal te vinden. Groepen lachmeeuwen zijn ook de plek om naar zeldzamere meeuwen te zoeken, zoals de Franklins meeuw of de kokmeeuw.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In de negentiende eeuw nam de soort langs de Amerikaanse kust sterk af door het rapen van eieren en de handel in veren, en herstelde zich daarna. In het Caribisch gebied worden kolonies nog plaatselijk verstoord en eieren geraapt.

Wetenschappelijke naam

Leucophaeus atricilla | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Larus Atricilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leucophaeus werd in 1855 ingevoerd door Bruch. Leucophaeus is Grieks, van leukos 'wit' en phaios 'donkergrijs'. atricilla verbindt het Latijnse ater 'zwart' met het Neolatijnse cilla 'staart', naar de zwarte staart van jonge vogels; mogelijk bedoelde Linnaeus atricapilla 'zwartkoppig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Bahama's.