Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Dougalls stern

Dougalls stern | Sterna dougallii

Roseate Tern | Charrán rosado

De Dougalls stern is de bleekste en ranste van de middelgrote sterns en een typische broedvogel van rotsige en zandige cays in het Caribisch gebied. De Caribische broedpopulatie is een van de belangrijkste van de westelijke Atlantische Oceaan, maar neemt sinds de jaren 1990 af. De vogels wisselen vaak van kolonieplaats, waardoor een eilandje het ene jaar bezet en het volgende verlaten kan zijn.

Dougalls stern (Sterna dougallii)
Foto: MPF — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een kenmerkend, tweelettergrepig tsjuwiet of tsjie-wik, anders dan de roepen van andere sterns, en een rauw, schurend aach bij alarm.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1038877

Opname: Ricardo Hevia — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

33–43 cm, de bovengrens inclusief de zeer lange staartspiesen. Bleek: de bovendelen zijn zeer lichtgrijs, de onderdelen wit, in het broedkleed met een roze waas dat alleen bij goed licht zichtbaar is. De kap is zwart, de snavel lang en dun, aan het begin van het broedseizoen grotendeels zwart en later met een rode basis; de poten zijn rood. Zittend steken de witte staartspiesen ver voorbij de vleugelpunten. In vlucht zijn de vleugels kort en de vleugelslagen snel en stijf; alleen de buitenste handpennen zijn donkerder en vormen een smalle donkere voorrand. Buiten de broedtijd is het voorhoofd wit. Jonge vogels hebben een donkere kap en een donker voorhoofd, een geschubde rug en zwarte poten.

Verwarrings­soorten

De visdief Sterna hirundo is grijzer, met grijze onderdelen in het broedkleed, een donkere wig in de handpennen, kortere staartspiesen en een rode snavel met zwarte punt. De noordse stern Sterna paradisaea heeft grijze onderdelen en zeer korte poten. De Forsters stern Sterna forsteri heeft zilverwitte handpennen en een oranjerode snavel. De grote stern Thalasseus sandvicensis is groter, met een zwarte snavel met gele punt en een korte staart.

Leefgebied

Helder kustwater boven riffen, rond cays en in ondiepe baaien, waar de vogels vissen door van grote hoogte steil in het water te duiken. Broedt in kolonies op kleine rotsige of zandige eilandjes en cays, vaak tussen stenen of lage begroeiing, soms samen met andere sterns.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Broedvogel in het hele gebied, met de grootste aantallen op de Maagdeneilanden en de cays rond Puerto Rico en Culebra. Kolonies verder op de Bahama's, bij Cuba, Jamaica en Hispaniola, op Anguilla en verschillende eilanden van de Kleine Antillen, en op de ABC-eilanden. Na het broedseizoen trekken de vogels weg, vermoedelijk naar de kusten van Zuid-Amerika. Buiten het gebied broedt de soort in het noordoosten van de Verenigde Staten, in Florida, in West-Europa en in de tropen van de Indische en Stille Oceaan.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vanaf mei tot augustus zijn de vogels het beste te zien bij cays en rotseilandjes met sterns en bij vissende groepen boven riffen. De kolonies zelf mogen niet worden betreden; vanaf een boot op afstand blijven voorkomt verstoring.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in de Verenigde Staten is de Caribische populatie als bedreigd (threatened) en de noordoostelijke populatie als ernstig bedreigd (endangered) aangemerkt. De Caribische aantallen nemen af; predatie door ratten, reigers en lachmeeuwen is een belangrijke oorzaak van mislukte broedsels, en daarnaast spelen verstoring en vroeger het rapen van eieren een rol.

Wetenschappelijke naam

Sterna dougallii | Montagu, 1813

Montagu beschreef de soort in 1813 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sterna werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Sterna gaat terug op het Oudengelse stearn, dat voorkomt in het gedicht The Seafarer; de Friezen gebruikten een verwant woord voor sterns. dougallii eert de Schotse arts en verzamelaar Peter McDougall (1777–1814), die het eerste exemplaar bezorgde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Cumbraes in Schotland.