Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Mangrovekoekoek
Mangrovekoekoek | Coccyzus minor
Mangrove Cuckoo | Cuclillo de manglar
De mangrovekoekoek is de wijdst verbreide inheemse koekoek van het Caribisch gebied: hij leeft het hele jaar op vrijwel alle eilanden, van de Bahama's en Cuba tot de ABC-eilanden, Trinidad en Tobago en San Andrés. Ondanks zijn naam is hij hier allerminst aan mangrove gebonden; op de grotere eilanden bewoont hij ook droog bos, struweel, plantages en bergbos. Hij beweegt traag en stil door het loof en wordt vaker gehoord dan gezien.
Geluid
De roep is een reeks keelachtige, nasale gak gak gak gak gauk gauk-tonen, waarin de laatste tonen voller klinken. Daarnaast een los wiet. De vogel roept vooral in het broedseizoen, meestal vanuit dicht loof; buiten die tijd kan hij lang zwijgen.
Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
28–34 cm, waarvan ruim de helft staart. Slank, met een licht gebogen snavel: de bovensnavel is zwart, de ondersnavel grotendeels geel met een donkere punt. De bovendelen zijn grijsbruin, de kruin iets grijzer. Over het oog en de oorstreek loopt een zwart masker, met een smalle gele oogring. Keel en borst zijn bleek oker, buik en onderstaartdekveren warmer oker tot zalmbruin. De vleugel is effen bruin, zonder roodbruin vlak in de handpennen. Van onderen is de staart zwart met brede witte eindvlekken, die een blokpatroon vormen. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben een vager masker.
Verwarringssoorten
De geelsnavelkoekoek Coccyzus americanus is van onderen zuiver wit, heeft geen zwart masker en toont in vlucht een roodbruin vlak in de handpennen. De zwartsnavelkoekoek Coccyzus erythropthalmus, een zeldzame doortrekker, is ook wit van onderen, met een geheel zwarte snavel, een rode oogring en smalle witte staartpunten. Op Trinidad en San Andrés komt de kleine mangrovekoekoek Coccyzus melacoryphus voor; die is kleiner, met een grijze kruin, grijze halszijden en een geheel donkere snavel.
Leefgebied
Mangrove en kustbos, maar op de meeste eilanden ook droog loofbos, doornstruweel, kuststruweel, kalksteenheuvels, koffieplantages en vochtig bos tot in de bergen; op Puerto Rico komt hij op alle hoogten voor. Eet vooral rupsen en sprinkhanen, daarnaast andere insecten en hun larven, spinnen, slakken, kleine hagedissen, eieren en jonge vogels, en wat vruchten. Het nest is een losse takkenschotel laag in een boom of struik, in mangrove vaak twee tot drie meter boven het water; het legsel telt meestal twee eieren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op vrijwel alle eilanden van het gebied: de Bahama's en de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico en de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen van Anguilla en Sint Maarten tot Grenada, de ABC-eilanden, Trinidad en Tobago en San Andrés. Buiten het gebied in het zuiden van Florida, langs beide kusten van Mexico, in Midden-Amerika en langs de Atlantische kust van Zuid-Amerika tot de monding van de Amazone.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Puerto Rico is de soort op veel plaatsen gewoon, van droog kustbos tot bergbos; op de kleinere eilanden bieden mangrove en droog struweel langs rustige baaien de beste kans. De roep in de vroege ochtend is het snelste spoor. De vogel zelf zit vaak roerloos in het binnenste van een boom en valt pas op wanneer hij naar een andere tak overvliegt en het zwart-witte staartpatroon oplicht.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Plaatselijk gaat leefgebied verloren door het kappen van mangrove en de bebouwing van kusten, maar omdat hij ook droog bos, struweel en plantages bewoont, is hij daarvan minder afhankelijk dan zijn naam doet vermoeden.
Wetenschappelijke naam
Coccyzus minor | (Gmelin, 1788)
Gmelin beschreef de soort in 1788 als Cuculus minor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Coccyzus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Coccyzus is Grieks, van kokkuzō 'koekoek roepen', naar de roep van de koekoek. minor is Latijn voor 'kleiner'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.




