Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Zwartsnavelkoekoek

Zwartsnavelkoekoek | Coccyzus erythropthalmus

Black-billed Cuckoo | Cuclillo piquinegro

De zwartsnavelkoekoek broedt in het zuiden van Canada en het noorden en oosten van de Verenigde Staten en overwintert in het noordwesten van Zuid-Amerika. Zijn trekroute loopt grotendeels over Midden-Amerika, zodat hij het Caribisch gebied alleen aan de westrand en in kleine aantallen aandoet. De meeste waarnemingen stammen uit oktober, van de Kaaimaneilanden, Cuba, de Bahama's en San Andrés.

Zwartsnavelkoekoek (Coccyzus erythropthalmus)
Foto: Wolfgang Wander — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op doortrek meestal stil. De zang in het broedgebied is een ritmisch, hol koe-koe-koe in groepjes van twee tot vijf tonen, die lang achter elkaar herhaald worden. Daarnaast zachte, klokkende en ratelende geluiden.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1104478

Opname: Jeff Stewart — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

28–31 cm, slank en langgestaart. Van boven effen grijsbruin, van onderen wit tot vuilwit, zonder okertint. De snavel is geheel zwart en licht gebogen; om het oog ligt bij volwassen vogels een smalle ring van rode naakte huid. Van onderen is de staart grijs met smalle witte topjes en een donkere band daarvoor, zonder de brede witte blokken van verwante soorten. De vleugel toont hooguit een vage warme zweem, geen duidelijk roodbruin vlak. Jonge vogels hebben een bleekgele tot grijsachtige oogring, wat meer roestbruin in de handpennen en vagere witte staartpunten, en lijken daardoor meer op de geelsnavelkoekoek.

Verwarrings­soorten

De geelsnavelkoekoek Coccyzus americanus, in het gebied veel talrijker, heeft een gele ondersnavel, een gele oogring, een duidelijk roodbruin vlak in de handpennen en een zwarte onderstaart met brede witte vlekken. De mangrovekoekoek Coccyzus minor heeft een zwart masker, een okerkleurige buik en eveneens een gele ondersnavel. De kleine mangrovekoekoek Coccyzus melacoryphus van Trinidad en San Andrés heeft ook een donkere snavel, maar een grijze kruin, een donker masker en okerkleurige onderdelen.

Leefgebied

Op doortrek in vrijwel elk geboomd terrein: kustbos, droog loofbos, halfgroen bos, struweel en tuinen met bomen. Vogels die na een nachtelijke vlucht neerkomen, zoeken vaak het eerste bosje bij de kust op. Eet vooral rupsen, ook harige soorten die veel andere vogels laten liggen, daarnaast andere insecten. In het broedgebied volgt de soort uitbraken van rupsenplagen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Zeldzame doortrekker in het westen van het gebied. De meeste waarnemingen komen van de Kaaimaneilanden, Cuba, de Bahama's en San Andrés, met losse meldingen vanaf augustus, een piek in oktober en enkele in november; in mei zijn er enkele voorjaarsmeldingen. Verder oostelijk is hij een uitzondering, met enkele gevallen op Hispaniola, Puerto Rico, Guadeloupe en Barbados. Buiten het gebied broedt hij van het zuiden van Canada tot het midden en oosten van de Verenigde Staten; hij trekt via het zuiden van de Verenigde Staten en Midden-Amerika en overwintert in het noordwesten van Zuid-Amerika.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans ligt in oktober op de Kaaimaneilanden en op Cuba, in kustbosjes en tuinen waar ook andere trekvogels neerstrijken. Bij een koekoek met witte onderdelen is de snavel het eerste kenmerk; daarna bevestigen de oogring, de vleugel en het patroon van de onderstaart de determinatie. Jonge vogels met roestbruin in de vleugel zijn de belangrijkste valkuil.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in het broedgebied nemen de aantallen af. Als oorzaken gelden verlies van bos, het gebruik van insecticiden tegen rupsenplagen en aanvaringen met gebouwen tijdens de trek. Voor het Caribisch gebied is de soort door de kleine aantallen weinig meer dan een zeldzame passant.

Wetenschappelijke naam

Coccyzus erythropthalmus | (Wilson, 1811)

Wilson beschreef de soort in 1811 als Cuculus erythropthalma; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Coccyzus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Coccyzus is Grieks, van kokkuzō 'koekoek roepen', naar de roep van de koekoek. erythropthalmus is Grieks, van eruthros 'rood' en ophthalmos 'oog', naar de rode oogring. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Philadelphia, Pennsylvania, Verenigde Staten.