Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Muisgrijze vliegenpikker
Muisgrijze vliegenpikker | Nesotriccus murinus
Mouse-colored Tyrannulet | Tiranolete murino
De muisgrijze vliegenpikker is een kleine, onopvallende tiran van droog, open struweel en bosranden in Zuid- en Midden-Amerika, die in het Caribisch gebied alleen op Trinidad voorkomt. Hij werd lang in het geslacht Phaeomyias geplaatst; DNA-onderzoek liet zien dat de soort een complex vormt waartoe ook de Cocosvliegenpikker van het Cocoseiland behoort, waarna beide in Nesotriccus werden ondergebracht. Sommige lijsten splitsen de noordelijke vogels, waartoe die van Trinidad behoren, af als aparte soort.
Geluid
Vooral bij zonsopgang een steeds herhaalde, korte frase, en overdag een stijgende reeks zoemende tonen. Daarnaast nasale en nadrukkelijke roepen.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
11–12 cm, met een korte snavel waarvan de ondersnavel een lichte, oranjeachtige basis heeft. De bovendelen zijn egaal grijsbruin tot olijfbruin, zonder kuif of kruinvlek. Een lichte wenkbrauwstreep loopt tot achter het oog. De vleugel toont twee bleke, beige tot okerkleurige vleugelstrepen. Keel en borst zijn grijsachtig wit, de buik vaal lichtgeel. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De geelkeelvliegenpikker Camptostoma obsoletum is kleiner, heeft een rechtop gezet kuifje en wipt vaak met de staart. De noordelijke struikvliegenpikker Sublegatus arenarum heeft een kortere, geheel zwarte snavel en een grijze borst die scherper tegen de gele buik afsteekt. De vinktiran Cnemotriccus fuscatus is bruiner, met een langere staart, en houdt zich in de ondergroei op. Elenia's zoals de kleine elenia Elaenia chiriquensis zijn groter en hebben een witte kruinvlek.
Leefgebied
Open tot halfopen landschap: droog struweel, droog en open bos, bosranden, verruigde terreinen en erven met verspreide bomen, in het laagland. Foerageert alleen of in paren op insecten, meestal op 2–8 m hoogte, door ze van bladeren en twijgen te pikken of er biddend bij te hangen; eet ook kleine vruchten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
In het Caribisch gebied alleen op Trinidad, waar de soort plaatselijk en schaars voorkomt. Buiten het gebied van het zuiden van Costa Rica en Panama door een groot deel van Zuid-Amerika tot Paraguay en het noordwesten van Argentinië.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Droog struweel en open bosranden in het laagland van Trinidad. De vogel wordt vooral gevonden aan zijn zang bij zonsopgang; daarna is de combinatie van lichte wenkbrauwstreep, bleke vleugelstrepen en kale kruin het houvast.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied, een stabiele populatie en verdraagt door de mens verstoord, open terrein.
Wetenschappelijke naam
Nesotriccus murinus | (Spix, 1825) (GBIF: Phaeomyias murina)
Spix beschreef de soort in 1825 als Platyrhynchus murinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Nesotriccus werd in 1895 ingevoerd door Townsend. Nesotriccus is Grieks, van nēsos 'eiland' en trikkos, een klein vogeltje (gebruikt voor tirannen), naar het Cocoseiland waar de eerste soort leeft. murinus is Latijn voor 'van muizen', hier 'muisgrijs', naar het grauwe verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Juazeiro aan de Rio São Francisco, Bahia, Brazilië.




