Alle soorten › Zangvogels › Mierklauwieren › Noordelijke witbandmiersluiper

Noordelijke witbandmiersluiper | Formicivora intermedia

Northern White-fringed Antwren | Hormiguerito coicorita norteño

De noordelijke witbandmiersluiper is een kleine miervogel van droog bos en struweel, die in het gebied op Tobago leeft en niet op het hoofdeiland Trinidad. De soort werd vroeger samengevoegd met de zuidelijke witbandmiersluiper Formicivora grisea en op grond van verschillen in zang afgesplitst; niet alle indelingen volgen die splitsing. Op Tobago leeft een eigen ondersoort.

Noordelijke witbandmiersluiper (Formicivora intermedia)
Foto: Fernando Flores from Caracas, Venezuela — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht tsjup, tot zo'n 25 keer herhaald, en een zachte, gebogen fluittoon gevolgd door een snelle, vlakke triller. Beide seksen zingen, meestal verborgen in het blad, van voor zonsopgang tot in de ochtend.

Luister: ZangXC1086391

Opname: Brian Cox — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm, slank, met een vrij lange staart. Het mannetje is van boven rookbruin; gezicht, keel en onderdelen zijn zwart. Een witte streep loopt van boven het oog langs de halszijde en de borst naar de flanken, waar hij breder wordt. De vleugels zijn zwart met een duidelijke witte vleugelstreep en witte stippen op de dekveren, de zwarte staart heeft witte punten. Het vrouwtje heeft dezelfde bruine bovendelen en vleugeltekening, maar een grijsachtig gezicht en vuilwitte tot okerkleurige onderdelen met wisselende donkere streepjes op de borst.

Verwarrings­soorten

Op Tobago geen andere miersluiper. De gebandeerde mierklauwier Thamnophilus doliatus is groter, met een kuif en een zware snavel, en geheel gebandeerd (mannetje) of roodbruin (vrouwtje). De bosmiervireo Dysithamnus mentalis is gedrongener, met een grijze of roodbruine kruin en zonder witte flankstreep.

Leefgebied

De onderste en middelste laag aan bosranden in droog loofbos, kustbos, doornstruweel en mangrove. Foerageert in paren in dichte begroeiing en klimplanten op insecten en spinnen, en beweegt daarbij vaak de staart.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Tobago een standvogel van de laaglanden. Ook gemeld van Chacachacare, een eilandje voor de noordwestpunt van Trinidad; op Trinidad zelf afwezig. Buiten het gebied in het noorden van Colombia en Venezuela, op het eiland Margarita en op de Pareleilanden van Panama.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Tobago in droog bos en struweel aan bosranden in de laaglanden, waar paren in dichte begroeiing roepen. Het herhaalde tsjup is het beste aanknopingspunt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een vrij groot verspreidingsgebied en verdraagt secundaire begroeiing. De Tobagopopulatie is klein in omvang, maar er zijn geen bekende acute bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Formicivora intermedia | Cabanis, 1847

Cabanis beschreef de soort in 1847 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Formicivora werd in 1824 ingevoerd door Swainson. Formicivora is Latijn, van formica 'mier' en -vorus 'etend': 'mierenetend'. intermedia is Latijn voor 'tussenliggend', naar kenmerken tussen die van verwante vormen in. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Aragua, Venezuela.