Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Noordse stern

Noordse stern | Sterna paradisaea

Arctic Tern | Charrán ártico

De noordse stern maakt de langste trek van alle vogels, van arctische en noordelijk-gematigde broedplaatsen naar de zeeën rond Antarctica en terug. De route loopt grotendeels over de open Atlantische Oceaan, ver ten oosten van de Antillen, zodat de soort in het Caribisch gebied slechts een zeer zeldzame gast is. De meeste gevallen betreffen jonge vogels in de trektijd.

Noordse stern (Sterna paradisaea)
Foto: Alpo Roikola — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee meestal stil. Roept een hoog, doordringend kie-ar met de nadruk op de tweede lettergreep, en korte kip-roepen. Het geluid is korter en hoger dan dat van de visdief.

Luister: VluchtroepXC1168680

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

33–36 cm, inclusief de staartspiesen. Lijkt sterk op de visdief, maar met een rondere kop, een kortere snavel en zeer korte poten, waardoor de vogel zittend laag bij de grond staat. Volwassen vogels in broedkleed hebben een geheel rode snavel zonder zwarte punt, een zwarte kap, grijze onderdelen met een witte wangstreep en lange staartspiesen die zittend voorbij de vleugelpunten steken. In vlucht zijn alle handpennen van onderen doorschijnend, met een smalle, scherp afgezette zwarte achterrand. Buiten de broedtijd en bij jonge vogels zijn voorhoofd en onderdelen wit, de snavel donker; jonge vogels hebben een zwakke donkere voorvleugelrand en witte armpennen, die een lichte achterrand van de vleugel vormen.

Verwarrings­soorten

De visdief Sterna hirundo heeft een langere snavel met zwarte punt, langere poten en van onderen een brede, vage donkere achterrand aan de handpennen, waarbij alleen de binnenste handpennen doorschijnend zijn; jonge visdieven hebben een donkere voorvleugelrand en grijzere armpennen. De Dougalls stern Sterna dougallii is bleker, met witte onderdelen en een donkere snavel. De Forsters stern Sterna forsteri heeft zilverwitte handpennen en buiten de broedtijd een zwart oogmasker.

Leefgebied

Open zee, soms dichter onder de kust bij kapen en in baaien, vooral na stormen. Vist door van enkele meters hoogte stotend in het water te duiken, vaak na een korte biddende vlucht.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Slechts enkele bevestigde gevallen, verspreid over het gebied, onder meer van de Bahama's, Puerto Rico en de Kleine Antillen. Door de route over open zee en de gelijkenis met de visdief wordt de soort vermoedelijk onderschat. Buiten het gebied broedt ze circumpolair in het noorden van Noord-Amerika, Groenland, IJsland en Noord-Eurazië, in Amerika zuidelijk tot Massachusetts, en overwintert ze in de Zuidelijke Oceaan.

Hoe en wanneer kijken

Zeewaarnemingen vanaf kapen en pelagische tochten in de trektijd bieden de meeste kans. Bij elke kortpotige stern met doorschijnende handpennen loont het om de achterrand van de vleugel en de snavellengte nauwkeurig te bekijken; een foto van de ondervleugel is vaak beslissend.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In delen van het broedgebied nemen de aantallen af door voedseltekort en door predatie in de kolonies. In het Caribisch gebied een zeer zeldzame gast zonder vaste populatie.

Wetenschappelijke naam

Sterna paradisaea | Pontoppidan, 1763

Pontoppidan beschreef de soort in 1763 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sterna werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Sterna gaat terug op het Oudengelse stearn, dat voorkomt in het gedicht The Seafarer; de Friezen gebruikten een verwant woord voor sterns. paradisaea is laat-Latijn voor 'van het paradijs', van paradisus 'paradijs'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Christiansø in Denemarken.