Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Vorkstaartmeeuw
Vorkstaartmeeuw | Xema sabini
Sabine's Gull | Gaviota de Sabine
De vorkstaartmeeuw is een kleine, sternachtige meeuw die op de arctische toendra broedt en buiten de broedtijd op open zee leeft. De Atlantische vogels trekken langs West-Europa en West-Afrika naar de koude wateren voor Namibië en Zuid-Afrika, de Pacifische vogels naar de kust van Peru en Chili. Het Caribisch gebied ligt buiten beide routes, en de soort is er een zeer zeldzame dwaalgast.
Geluid
Buiten het broedgebied vrijwel stil. Op de broedplaats een hoog, raspend, sternachtig kriie.
Opname: Stein Ø. Nilsen — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
27–33 cm, klein, met een licht gevorkte staart en lange, spitse vleugels. In alle kleden is de bovenvleugel driekleurig: grijze (bij jonge vogels grijsbruine) mantel en vleugeldekveren, zwarte buitenste handpennen en een grote witte driehoek op de binnenste handpennen en armpennen. Volwassen vogels in broedkleed hebben een donker leigrijze kap met een smalle zwarte rand en een zwarte snavel met gele punt; buiten de broedtijd is de kop wit met een donkere achterhals. Jonge vogels zijn op kop, mantel en dekveren grijsbruin geschubd, met een zwarte eindband op de staart en een donkere snavel.
Verwarringssoorten
De kleine kokmeeuw Chroicocephalus philadelphia en de kokmeeuw Chroicocephalus ridibundus hebben een witte voorrand aan de handpennen in plaats van een witte driehoek achter op de vleugel, en een rechte staart. Jonge drieteenmeeuwen Rissa tridactyla, elders in de Atlantische Oceaan, hebben een zwarte zigzagband over de vleugel en een zwarte nekband. Jonge lachmeeuwen Leucophaeus atricilla zijn groter en donkerder, zonder witte vleugeldriehoek.
Leefgebied
Open zee en de rand van het continentaal plat, waar de vogels vliegend kleine prooien van het wateroppervlak pikken. Komt zelden dicht onder de kust, behalve na stormen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Slechts enkele gevallen in het gebied, verspreid en vooral op zee. De kaart toont een handvol meldingen; meldingen buiten de trektijd en aan land verdienen controle. Buiten het gebied broedt de soort circumpolair op de arctische toendra en overwintert ze voor zuidwestelijk Afrika en de westkust van Zuid-Amerika.
Hoe en wanneer kijken
De meeste kans geven pelagische tochten en zeewaarnemingen tijdens of na stormen in de trektijd. Het driekleurige vleugelpatroon is in vlucht van ver te zien en sluit verwarring met de andere kleine meeuwen in het gebied uit.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In het Caribisch gebied een zeer zeldzame dwaalgast zonder vaste populatie.
Wetenschappelijke naam
Xema sabini | (Sabine, 1819)
Sabine beschreef de soort in 1819 als Larus Sabini; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Xema werd in 1819 ingevoerd door Leach. Xema lijkt een verzonnen naam zonder betekenis; William Leach voerde hem in 1819 in zonder toelichting. sabini eert de Britse poolreiziger Edward Sabine (1788–1883), die de eerste exemplaren verzamelde op eilandjes voor de westkust van Groenland; zijn broer Joseph beschreef de soort naar dat materiaal. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Sabine-eilanden bij Groenland.

