Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Oeverzwaluw
Oeverzwaluw | Riparia riparia
Sand Martin | Avión zapador
De oeverzwaluw is de kleinste zwaluw die in het Caribisch gebied geregeld wordt gezien. Noord-Amerikaanse broedvogels trekken in najaar en voorjaar over de eilanden van en naar hun overwinteringsgebied in Zuid-Amerika, vaak samen met boerenzwaluwen, en rusten dan op draden en kale takken bij water. De Amerikaanse en de Euraziatische populaties worden tot dezelfde soort gerekend.
Geluid
Een droog, raspend trrrt of brrrt, dat in groepen samenvloeit tot een aanhoudend gekwetter. Doortrekkers laten zich in het gebied weinig horen.
Opname: Esperanza Poveda — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm, klein en compact, met een kort, licht ingekeept staartje. De bovendelen zijn egaal grijsbruin, de onderdelen wit, met een scherp afgetekende bruine borstband die in het midden vaak iets naar beneden uitloopt. De witte keel reikt als een halve kraag tot achter de oorstreek. De ondervleugel is donker. Jonge vogels hebben lichte, roomkleurige randjes aan de veren van de bovendelen en de vleugeldekveren. De vlucht is fladderend en wat onregelmatig, met snelle vleugelslagen.
Verwarringssoorten
De Noord-Amerikaanse ruwvleugelzwaluw Stelgidopteryx serripennis is groter en egaler bruin, met een vuil grijsbruine keel en borst zonder afgetekende band. Jonge boomzwaluwen Tachycineta bicolor zijn grijsbruin van boven en hebben hooguit een vage, onderbroken borstband; ze zijn groter en hebben bredere vleugels. De Zuid-Amerikaanse ruwvleugelzwaluw Stelgidopteryx ruficollis op Trinidad heeft een roestbruine keel en een lichte stuit.
Leefgebied
Op doortrek jaagt de soort laag boven zoetwatermoerassen, vijvers, rijstvelden, zoutpannen, rivieren en open grasland, ook langs de kust. Eet vliegende insecten. Rust op draden, hekken en kale takken, vaak samen met andere zwaluwen. Broedt in kolonies in zelfgegraven gangen in steile zand- of leemwanden; in het Caribisch gebied broedt de soort niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Vrij schaarse doortrekker op de meeste eilanden: de Bahama's, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago. In de winter zijn er verspreide waarnemingen. Broedt in grote delen van Noord-Amerika, Europa en Azië; de Amerikaanse vogels overwinteren in Zuid-Amerika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is in september en oktober bij zoetwatermoerassen, rijstvelden en zoutpannen waar groepen boerenzwaluwen jagen. Tussen rustende zwaluwen op draden valt de soort op door het kleine formaat, de grijsbruine bovendelen en de scherpe borstband.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Wereldwijd talrijk, al zijn de aantallen in Noord-Amerika sinds de jaren zeventig sterk gedaald, onder meer door het verdwijnen van steile oevers langs rivieren.
Wetenschappelijke naam
Riparia riparia | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Hirundo riparia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Riparia werd in 1817 ingevoerd door Forster. Riparia gaat terug op het Latijnse riparius 'van de oever', bij ripa 'oever', naar de nestholen die deze zwaluwen in steile oeverwanden graven. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.





