Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Reuzenstern

Reuzenstern | Hydroprogne caspia

Caspian Tern | Pagaza piquirroja

De reuzenstern is de grootste stern ter wereld, met een postuur dat eerder aan een meeuw doet denken. Hij broedt verspreid over vijf continenten, in Noord-Amerika vooral in het binnenland en langs de Golf van Mexico. In het Caribisch gebied is hij een wintergast en doortrekker, die op Cuba geregeld voorkomt maar verder oostwaarts snel zeldzamer wordt.

Reuzenstern (Hydroprogne caspia)
Foto: Dick Daniels (https://theworldbirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diep, rauw en reigerachtig kraa-ah of kreeeh-ap, lager dan bij elke andere stern. Jonge vogels die de ouders volgen, roepen een hoog, fluitend wieuw.

Luister: ZangXC1181911

Opname: Clément Bruneau — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

48–60 cm, zwaargebouwd, met brede vleugels, een korte, weinig gevorkte staart en een zeer dikke, dieprode snavel met een donkere vlek voor de punt. In broedkleed is de kap volledig zwart en zonder kuif; buiten de broedtijd, wanneer de soort hier verblijft, is het voorhoofd fijn wit gestreept en de kap grijszwart doorschoten, maar nooit zo wit als bij de koningsstern. De bovendelen zijn lichtgrijs, de onderdelen wit. In vlucht vormen van onderen de donkergrijze punten van de handpennen een donkere vlek. De poten zijn zwart. Jonge vogels hebben een oranjerode snavel, een bruingevlekte rug en een donkere kap.

Verwarrings­soorten

De koningsstern Thalasseus maximus is iets kleiner en slanker, met een oranje, dunnere snavel, een korte kuif en in winterkleed een wit voorhoofd waarbij alleen de achterkop zwart is; van onderen zijn de handpennen grotendeels licht, met alleen een smalle donkere achterrand. De lachstern Gelochelidon nilotica is veel kleiner, met een korte, zwarte snavel. Op afstand kan de forse bouw doen denken aan een meeuw, maar meeuwen hebben geen rode dolksnavel en duiken niet.

Leefgebied

Beschutte kustwateren: zoutpannen, lagunes, riviermondingen, ondiepe baaien en slikbanken, en ook grote zoetwatermeren en waterbekkens in het binnenland. Jaagt door op flinke hoogte boven het water te patrouilleren met de snavel naar beneden en dan steil neer te duiken; vangt vooral vis. Rust op zandbanken en strandjes, vaak tussen koningssterns en meeuwen.

Verspreiding en trek

Op Cuba een vrij algemene wintergast en doortrekker, het meest langs de noordkust en in de grote lagunes. Regelmatig in kleine aantallen op de Bahama's, de Dominicaanse Republiek, de Kaaimaneilanden en Jamaica; zeldzaam op Puerto Rico, Haïti, de Turks- en Caicoseilanden, San Andrés en de ABC-eilanden. Van Trinidad en de Kleine Antillen, onder meer Guadeloupe en Martinique, zijn slechts enkele gevallen bekend. Broedt in Noord-Amerika, Europa, Azië, Afrika en Australië; de Noord-Amerikaanse vogels overwinteren van de zuidelijke Verenigde Staten tot Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het meeste kans geven de zoutpannen en kustlagunes van Cuba in de winter, bijvoorbeeld op het schiereiland Zapata. In rustende groepen sterns valt de soort op door de dikke rode snavel en de donkere kap; in vlucht is de donkere onderkant van de handpennen het beste kenmerk. De lage, rauwe roep is vaak al te horen voordat de vogel in zicht komt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De wereldpopulatie is groot en in Noord-Amerika in de afgelopen decennia toegenomen, al zijn grote kolonies kwetsbaar voor verstoring, overstroming en conflicten met de visserij. In het Caribisch gebied verblijven alleen niet-broedende vogels.

Wetenschappelijke naam

Hydroprogne caspia | (Pallas, 1770)

Pallas beschreef de soort in 1770 als Sterna caspia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hydroprogne werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Hydroprogne verbindt het Griekse hudro- 'water' met het Latijnse progne 'zwaluw'. caspia is Latijn en verwijst, net als de Nederlandse en Engelse naam elders, naar de Kaspische Zee. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaspische Zee.