Alle soorten › Zangvogels › Winterkoningen › Roodborstwinterkoning

Roodborstwinterkoning | Pheugopedius rutilus

Rufous-breasted Wren | Cucarachero pechirrufo

De roodborstwinterkoning is een bosvogel die in het Caribisch gebied alleen op Trinidad en Tobago leeft. Paartjes houden zich op in dichte ondergroei en lianen en zingen vaak samen in een snel, afwisselend duet. Door het gespikkelde gezicht en de roodbruine borst is hij kenmerkend binnen zijn geslacht Pheugopedius.

Roodborstwinterkoning (Pheugopedius rutilus)
Foto: Anthony Batista — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Luid en helder: korte, fluitende frasen die enkele keren worden herhaald voordat de vogel overgaat op een ander motief, vaak als duet waarin man en vrouw elkaar in hoog tempo afwisselen. De roep is een raspend, ratelend tsjurr.

Luister: DuetXC1075926

Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm, een middelgrote winterkoning met een rechte, vrij lange snavel. Kruin en bovendelen zijn warm bruin, de staart grijsbruin met zware donkere dwarsbanden. Een witte wenkbrauwstreep wordt aan de bovenkant zwart afgezet. Wangen, kin en keel zijn fijn zwart-wit gespikkeld. De borst is helder roodbruin, de buik valer grijsbruin, de flanken bruin. De seksen zijn gelijk. Op Tobago leeft een eigen ondersoort, tobagensis; die van Trinidad is de nominaatvorm.

Verwarrings­soorten

De zuidelijke huiswinterkoning Troglodytes musculus is kleiner en egaal bruin, zonder gespikkeld gezicht en roodbruine borst, en leeft vooral rond huizen en in open terrein. De zwartstaartmuggensluiper Ramphocaenus melanurus zoekt eveneens in lianen, maar heeft een veel langere, dunne snavel en een lange, smalle staart die vaak gewipt wordt.

Leefgebied

Vochtig bos van laagland en heuvels, secundair bos, bosranden, open plekken met lianen en dicht struikgewas, en verwaarloosde cacao- en koffieplantages, van zeeniveau tot in de hoogste delen van de bergen. Zoekt in paren of familiegroepen in de ondergroei en soms hoger in de bomen naar insecten en spinnen. Het nest is een grote bol van bladeren en gras met een ingang opzij, verborgen in dichte begroeiing.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

In het Caribisch gebied alleen op Trinidad, vooral in de Northern Range en in de bosgebieden in het midden en zuiden, en op Tobago, waar de soort in het bos van de Main Ridge algemeen is. Buiten het gebied in Costa Rica, Panama, Colombia en Venezuela.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Langs bospaden in de Northern Range op Trinidad en op de Main Ridge op Tobago, bijvoorbeeld bij Gilpin Trace. Het duet klinkt het hele jaar; de vogels blijven vaak verborgen, maar zijn bij geduld te zien wanneer ze door een lianenwirwar naar elkaar toe bewegen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied en kan goed overweg met secundair bos en bosranden.

Wetenschappelijke naam

Pheugopedius rutilus | (Vieillot, 1819)

Vieillot beschreef de soort in 1819 als Thryothorus rutilus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pheugopedius werd in 1851 ingevoerd door Cabanis. Pheugopedius is Grieks, van pheugō 'mijden, vluchten' en pedion 'vlakte, open veld': een vogel die het open land mijdt. rutilus is Latijn voor 'rood, roodbruin', naar de roestrode borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Trinidad (vastgelegd; oorspronkelijk 'Noord-Amerika').