Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Rosse fluiteend

Rosse fluiteend | Dendrocygna bicolor

Fulvous Whistling Duck | Suirirí bicolor

De rosse fluiteend is een warm okerbruine fluiteend die in de tropen van vier werelddelen voorkomt. In West-Indië is hij een betrekkelijk nieuwe vestiger: in de twintigste eeuw breidde hij zich vanuit het zuiden uit en op Cuba werd in 1964 voor het eerst broeden vastgesteld. Vooral op Cuba, waar hij yaguasín heet, is hij nu een gewone vogel van rijstvelden en moerassen.

Rosse fluiteend (Dendrocygna bicolor)
Foto: JeffreyGammon — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een helder, fluitend kie-wie-oe, vaak in de vlucht en ook 's nachts. Groepen laten een aanhoudend gefluit horen.

Luister: VluchtroepXC1176305

Opname: José María Loaiza B. — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

45–53 cm, met lange hals en lange poten. Kop, hals en onderdelen zijn warm okerbruin, de kruin en een streep in de achterhals donkerder bruin. De hals is fijn wit gestreept. De rug is donkerbruin met brede roestbruine veerranden. Langs de flanken loopt een rij roomwitte, langwerpige veren. De snavel en poten zijn donker blauwgrijs. In de vlucht zijn de vleugels egaal donker, en is een witte U op de bovenstaartdekveren zichtbaar tegen de zwarte staart. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met minder zichtbare flankstrepen.

Verwarrings­soorten

De West-Indische fluiteend Dendrocygna arborea is groter en donkerder, met zwart gevlekte witte flanken en zonder witte U op de staartwortel. De zwartbuikfluiteend Dendrocygna autumnalis heeft een rode snavel, een zwarte buik en een witte vleugelband. Jonge zwartbuikfluiteenden hebben al de witte vleugelband, die de rosse fluiteend altijd mist.

Leefgebied

Rijstvelden, zoetwatermoerassen, overstroomde graslanden en ondiepe vijvers met veel waterplanten. Foerageert in ondiep water, vaak al zwemmend en grondelend, op zaden van grassen en waterplanten. Het nest ligt tussen dichte moerasbegroeiing of in rijstvelden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Talrijkst op Cuba; ook op Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek) en op Puerto Rico, waar de soort meer plaatselijk is. Op Barbados en Trinidad geregeld, op de Bahama's, de Maagdeneilanden en de Turks- en Caicoseilanden schaars; elders in de Kleine Antillen en op Jamaica en de Kaaimaneilanden een onregelmatige gast. De aantallen schommelen met de waterstanden en de rijstbouw. Buiten het gebied van het zuiden van de Verenigde Staten en Mexico tot Argentinië, in Afrika ten zuiden van de Sahara, op Madagaskar en in Zuid-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Cuba in rijstvelden, waar groepen in ondergelopen percelen foerageren. In de schemering zijn overvliegende groepen aan hun fluitende roep te herkennen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In West-Indië profiteert de soort van de rijstbouw; op een aantal eilanden wordt hij bejaagd. Veranderingen in de rijstbouw en het gebruik van bestrijdingsmiddelen kunnen de aantallen beïnvloeden.

Wetenschappelijke naam

Dendrocygna bicolor | (Vieillot, 1816)

Vieillot beschreef de soort in 1816 als Anas bicolor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dendrocygna werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Dendrocygna komt van het Griekse dendron, 'boom', en het Latijnse cygnus, 'zwaan' — 'boomzwaan', omdat sommige fluiteenden in bomen rusten of broeden. bicolor is Latijn voor 'tweekleurig', naar het contrast tussen het roodbruine lichaam en de donkere rug. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paraguay.