Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Maskerstekelstaart

Maskerstekelstaart | Nomonyx dominicus

Masked Duck | Pato enmascarado

De maskerstekelstaart is een kleine, heimelijke stekelstaarteend van dichtbegroeide zoetwatermoerassen in de tropen van Amerika. Hij leeft verscholen tussen drijvende en opgaande planten en duikt bij onraad onder of glipt weg in de begroeiing, zodat hij ook waar hij voorkomt vaak over het hoofd wordt gezien. Op Cuba heet hij pato agostero.

Maskerstekelstaart (Nomonyx dominicus)
Foto: Félix Uribe from Rionegro, Antioquia, Colombia — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Het mannetje laat in de balts een zacht, herhaald oe-oe-oe en een rollende reeks tonen horen; ook een kort, klokkend geluid wordt beschreven.

Luister: ZangXC770310

Opname: Fernando Igor de Godoy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

30–36 cm, gedrongen, met een lange, stijve staart die vaak schuin omhoog wordt gehouden. Het mannetje in prachtkleed is roodbruin met zwarte vlekken op rug en flanken en een zwart masker van voorhoofd tot achter het oog; de snavel is helder blauw met een donkere punt. Vrouwtjes, jonge vogels en mannetjes buiten de broedtijd zijn bruin met lichte schubben en hebben op het lichte gezicht twee donkere lengtestrepen: een door het oog en een over de wang. In de vlucht toont de soort in elk kleed een witte vlek in de vleugel. Vliegt direct van het water op, zonder aanloop.

Verwarrings­soorten

De rosse stekelstaart Oxyura jamaicensis is iets groter. Het mannetje heeft een witte wang en een zwarte kap in plaats van een zwart masker; het vrouwtje heeft één donkere wangstreep in plaats van twee. De rosse stekelstaart heeft geen wit in de vleugel en heeft een aanloop over het water nodig om op te vliegen. Ook de Amerikaanse dodaars Tachybaptus dominicus leeft in begroeide vijvers, maar heeft een dunne snavel, een geel oog en geen stijve staart.

Leefgebied

Zoetwatermoerassen en vijvers met veel drijvende en opgaande begroeiing, rijstvelden, overstroomde graslanden en moerasbos; soms in brakke vijvers aan de rand van mangrove. Duikt naar zaden en wortels van waterplanten en naar kleine waterdieren. Het nest ligt goed verborgen in dichte moerasbegroeiing of in een rijstveld.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Verspreid maar onregelmatig over de Grote Antillen: Cuba, Jamaica, Hispaniola (vooral de Dominicaanse Republiek) en Puerto Rico, waar de meeste waarnemingen vandaan komen. In de Kleine Antillen onder meer op Guadeloupe, Barbados, Martinique, Saint Lucia en Antigua, verder op de Maagdeneilanden, Curaçao en Trinidad. Op veel eilanden verschijnt en verdwijnt de soort met het vollopen en droogvallen van wetlands, en zijn de aantallen klein. Buiten het gebied van Mexico, met uitlopers tot in Texas, via Midden-Amerika tot het noorden van Argentinië.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Leeft verborgen; de beste kans bieden de randen van dichtbegroeide zoetwatervijvers en rijstvelden, bij voorkeur vroeg in de ochtend of laat in de middag, wanneer vogels soms open water opzoeken. Vaak is er geduld nodig voordat een vogel uit de begroeiing tevoorschijn komt. Na een periode met veel regen kunnen nieuw gevormde moerassen plotseling vogels herbergen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In West-Indië is de soort op de meeste eilanden schaars en plaatselijk, en door haar verborgen leefwijze slecht gevolgd. Het verdwijnen en droogleggen van zoetwatermoerassen is de grootste bedreiging; ook jacht en ingevoerde roofdieren worden genoemd.

Wetenschappelijke naam

Nomonyx dominicus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Anas dominica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Nomonyx werd in 1880 ingevoerd door Ridgway. Nomonyx is Grieks, van nomos 'gebruikelijk' en onux 'nagel', naar de afwijkende vorm van de nagel op de snavelpunt. dominicus betekent 'van Santo Domingo', de oude naam voor Hispaniola. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hispaniola (Santo Domingo).