Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Rotsduif

Rotsduif | Columba livia

Rock Dove | Paloma bravía

De rotsduif is de wilde stamvorm van de tamme duif en de stadsduif. In het Caribisch gebied is hij niet inheems: de vogels hier zijn verwilderde tamme duiven, die met de Europese kolonisten zijn meegekomen. Ze leven op vrijwel alle bewoonde eilanden, het talrijkst in steden en havens, en hun verenkleed varieert van de grijze wilde vorm tot bruin, zwart, wit en bont.

Rotsduif (Columba livia)
Foto: william_stephens — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een laag, rollend koeren, oe-roe-koe, door mannetjes herhaald tijdens het baltsen met opgezette hals. Bij het opvliegen een luid geklapper van de vleugels.

Luister: VluchtroepXC462611

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

31–34 cm, gedrongen, met een kleine kop en korte poten. De wildkleurige vorm is blauwgrijs, met een donkerder kop en een groen en paars glanzende hals. Over de lichtgrijze vleugel lopen twee zwarte banden; de stuit is wit of lichtgrijs, de staart grijs met een donkere eindband. De iris is oranje, de snavel donker met een witte washuid, de poten rood. Verwilderde vogels zijn zeer variabel: geblokt, roodbruin, donker leigrijs, wit of gevlekt, en in een groep zitten vaak alle varianten door elkaar. De seksen zijn gelijk. Vliegt snel en recht, met de vleugels in een V omhoog bij het zweven.

Verwarrings­soorten

De witkapduif Patagioenas leucocephala en de roodhalsduif P. squamosa kunnen op donkere rotsduiven lijken, maar missen de vleugelbanden en de witte stuit, zijn slanker en langstaartiger en leven vooral in bos, mangrove en tuinen met vruchtbomen. De wijnrode duif P. inornata heeft wijnrood op kop en borst en een witte rand langs de vleugel. Witte rotsduiven kunnen op de Bahama's verward worden met de bonte muskaatduif Ducula bicolor, die groter is en zwarte slagpennen en zwart in de staart heeft.

Leefgebied

Steden, dorpen, havens, luchthavens, markten en industrieterreinen, en daarbuiten boerenerven en akkers waar graan te vinden is. Plaatselijk ook aan kliffen en rotskusten, waar verwilderde vogels op richels broeden. Eet zaden, graan en afval, vrijwel altijd op de grond. Broedt het hele jaar door op richels en in holten van gebouwen, onder bruggen en in rotswanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Verwilderd op vrijwel alle bewoonde eilanden in het gebied, van de Bahama's, Cuba, Jamaica, Hispaniola en Puerto Rico over de Maagdeneilanden en de Kleine Antillen tot Trinidad en Tobago, de ABC-eilanden, de Kaaimaneilanden, Turks- en Caicos en San Andrés. Het talrijkst in de grote steden, zoals San Juan, Santo Domingo en Havana. Van nature in Europa, Noord-Afrika en Zuidwest-Azië; als verwilderde vogel over de hele wereld.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op pleinen, markten en havenkades in elke stad. Vogels met het wildkleurige verenkleed, blauwgrijs met twee zwarte vleugelbanden en een witte stuit, zijn in de meeste groepen te vinden.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het Caribisch gebied een exoot. Verwilderde duiven kunnen ziekten overdragen op inheemse duiven; over de omvang daarvan in het gebied is weinig bekend. Duivenhouderij en postduivensport zijn onder meer op Cuba en Puerto Rico populair, waardoor er voortdurend tamme vogels bij de verwilderde populaties komen.

Wetenschappelijke naam

Columba livia | Gmelin, 1789

Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Columba werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Columba is Latijn voor 'duif' en gaat terug op het Griekse kolumbos 'duiker', bij kolumbaō 'duiken, zwemmen'; de klassieke schrijvers noemden de rotsduif zo naar de zwemmende slag van de vleugels in de vlucht. livia is een middeleeuws-Latijnse nevenvorm van livida 'loodgrijs, blauwgrijs', de vertaling die Theodorus Gaza gaf van het Griekse peleia 'duif', zelf van pellos 'donker'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Europa.