Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Slobeend

Slobeend | Spatula clypeata

Northern Shoveler | Cuchara común

De slobeend is met zijn lange, lepelvormige snavel aan de vorm alleen al te herkennen. In het Caribisch gebied is hij een wintergast uit Noord-Amerika, regelmatig op de Bahama's, Cuba, Jamaica en Hispaniola en naar het oosten toe steeds zeldzamer. Op Cuba heet hij pato cuchareta.

Slobeend (Spatula clypeata)
Foto: Luiz Lapa from Oeiras, Portugal — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter meestal stil. Het mannetje heeft een hol, herhaald took-took; het vrouwtje een dalend, kwakend kwèk-kwèk-kwèk.

Luister: VluchtroepXC1041165

Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

44–52 cm, een middelgrote grondeleend die laag in het water ligt, met de lange, aan de punt sterk verbrede snavel vaak naar het water gericht. Het mannetje in prachtkleed heeft een donkergroene kop, een geel oog, een witte borst, kastanjebruine flanken en buik en een witte vlek voor de zwarte stuit; de snavel is zwart. Het vrouwtje is gevlekt bruin, met een oranje rand langs de snavel. In de herfst zijn veel mannetjes nog in een bruin, vrouwtjesachtig kleed, soms met een witte halvemaan op de wang. In de vlucht een lichtblauwe voorvleugel, een witte band en een groene spiegel, en door de zware snavel lijken de vleugels ver naar achteren te staan.

Verwarrings­soorten

De blauwvleugeltaling Spatula discors en de kaneeltaling S. cyanoptera hebben dezelfde lichtblauwe voorvleugel, maar zijn kleiner en hebben een veel kleinere snavel. Het groenkoppige mannetje kan op afstand aan een mannetje wilde eend Anas platyrhynchos doen denken, maar de witte borst, de rosse flanken en de snavel sluiten verwarring uit.

Leefgebied

Ondiepe, voedselrijke zoete en brakke wateren: vijvers, lagunes, zoutpannen en binnenlandse brakke meren, moerassen en rijstvelden. Filtert al zwemmend plankton, kleine kreeftachtigen, insecten en zaden uit het oppervlaktewater, vaak in groepjes die rondjes draaien.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Wintergast op de Bahama's, Cuba, Jamaica en Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), daar meestal in kleine aantallen. Op Puerto Rico, de Kaaimaneilanden, Guadeloupe, Barbados en Trinidad en Tobago een dwaalgast. Broedt in Noord-Amerika, Europa en Azië; de Noord-Amerikaanse vogels overwinteren van de Verenigde Staten via Mexico en Midden-Amerika tot het noorden van Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Cuba en de Bahama's in de winter op ondiepe vijvers en brakke lagunes, vaak tussen blauwvleugeltalingen. Aan de lage ligging in het water en de zware snavel is de soort ook op afstand en in vrouwtjeskleed te herkennen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (Least Concern). Op de Caribische eilanden wordt op eenden gejaagd, en de wetlands staan onder druk door drooglegging en bebouwing.

Wetenschappelijke naam

Spatula clypeata | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas clypeata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spatula werd in 1822 ingevoerd door Boie. Spatula is Latijn voor 'lepel' of 'spatel', naar de brede, lepelvormige snavel van de slobeend. clypeata is Latijn voor 'schilddragend', van clypeus 'schild'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Zweden.