Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Topper
Topper | Aythya marila
Greater Scaup | Porrón bastardo
De topper is een noordelijke duikeend die in het Caribisch gebied niet inheems is: er zijn alleen losse gevallen van dwaalgasten, waarschijnlijk uit de winterpopulatie langs de Atlantische kust van Noord-Amerika. Omdat hij sterk lijkt op de veel gewonere kleine topper, gaat het om een soort waarbij elke melding goed gedocumenteerd moet zijn.
Geluid
In de winter meestal stil. Het vrouwtje heeft een rauw, diep karr, het mannetje in de balts zachte, fluitende tonen.
Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
42–51 cm, groter en zwaarder dan de kleine topper, met een ronde kop zonder piek en een brede snavel met een vrij groot zwart nageltje. Het mannetje heeft een zwarte kop met een groene glans, een zwarte borst en stuit, een lichtgrijze, fijn gevermiculeerde rug en helder witte flanken. Het oog is geel. Het vrouwtje is bruin met een grijzige rug en een breed wit vlak rond de snavelbasis; soms is er een lichte vlek op de oorstreek. In de vlucht loopt een brede witte streep over de armpennen door tot ver op de handpennen.
Verwarringssoorten
De kleine topper Aythya affinis heeft een kleinere kop met een piek achter op de kruin, een paarse in plaats van groene glans, een smallere snavel met een klein nageltje en een iets donkerdere rug; de witte vleugelstreep beperkt zich vooral tot de armpennen. Kopglans hangt sterk af van het licht en is alleen niet doorslaggevend. De kuifeend Aythya fuligula heeft bij het mannetje een zwarte rug en een hangende kuif, bij het vrouwtje een donkerder bruine rug en hooguit een smal wit randje aan de snavel.
Leefgebied
In het broedgebied toendra- en taigameren; 's winters vooral beschutte kustwateren, baaien en estuaria, minder op zoet water. In het Caribisch gebied te verwachten op lagunes, kustbaaien en grotere vijvers, vaak tussen kleine toppers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Dwaalgast. Gevallen bekend van de Bahama's, Hispaniola (de Dominicaanse Republiek), Jamaica, Guadeloupe en Barbados; voor Cuba is de soort niet bevestigd. Broedt rond de pool in Noord-Amerika, Europa en Azië; overwintert langs de kusten van Noord-Amerika, aan de Atlantische kant zuidwaarts tot het zuidoosten van de Verenigde Staten, en in Europa en Oost-Azië.
Hoe en wanneer kijken
Een kandidaat-topper tussen kleine toppers is het best te beoordelen op kopvorm in rust en, bij opvliegen, op de lengte van de witte vleugelstreep. Foto's van kop en uitgespreide vleugel zijn bij zo'n zeldzaamheid onmisbaar.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (Least Concern). In het Caribisch gebied een dwaalgast, zonder vaste populatie.
Wetenschappelijke naam
Aythya marila | (Linnaeus, 1761)
Linnaeus beschreef de soort in 1761 als Anas Marila; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aythya werd in 1822 ingevoerd door Boie. Aythya komt van Grieks aithuia, bij Aristoteles en Hesychius de naam van een niet nader te bepalen duikende zeevogel. marila is Grieks voor 'houtskoolgruis' of 'kolenstof'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Lapland.


