Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Tuintroepiaal
Tuintroepiaal | Icterus spurius
Orchard Oriole | Turpial castaño
De tuintroepiaal is de kleinste troepiaal van Noord-Amerika. Hij broedt in het oosten en midden van de Verenigde Staten en overwintert van Mexico tot het noorden van Zuid-Amerika. Het Caribisch gebied ligt grotendeels buiten zijn trekroute; alleen in het westen, op Cuba en San Andrés, verschijnt hij met enige regelmaat.
Geluid
De roep is een droog, kort tsjek en een ratelend tsjatter. De zang is een snelle, gevarieerde reeks fluittonen en kwetterende tonen, vaak eindigend in een dalend, raspend element; in de winter zelden te horen.
Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–18 cm, klein en compact voor een troepiaal, met een vrij korte staart en een dunne, licht gebogen snavel. Het volwassen mannetje is zwart op kop, keel, rug en staart en diep kastanjebruin op borst, buik, schouder en stuit, met een witte vleugelstreep. Het vrouwtje is olijfgroen op de bovendelen en groengeel op de onderdelen, met grijzige vleugels en twee witte vleugelstrepen. Het mannetje in het eerste jaar lijkt op het vrouwtje maar heeft een zwarte teugel en keel.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje van de Baltimoretroepiaal Icterus galbula is groter, met een dikkere snavel en meer oranje dan groengeel op de onderdelen. Vrouwtjes en jonge vogels kunnen ook aan tangaren doen denken, zoals het vrouwtje van de zomertangare Piranga rubra, maar die is groter, met een dikke, lichte snavel en zonder witte vleugelstrepen. Onvolwassen vogels van de witvleugeltroepiaal Icterus leucopteryx zijn groter en hebben een witte vleugelvlek in plaats van strepen.
Leefgebied
Halfopen landschap met loofbomen: bosranden, droog bos, kustbos, plantages, parken en tuinen. In het winterkwartier vaak in bloeiende bomen, waar hij nectar en insecten zoekt; ook vruchten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Op San Andrés geregeld als doortrekker en wintergast. Op Cuba een zeldzame doortrekker en wintergast, vooral in het westen. Elders een dwaalgast, met meldingen van onder meer de Bahama's, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola en Puerto Rico. Broedt in het oosten en midden van de Verenigde Staten, het zuiden van Canada en het noorden van Mexico; overwintert van Mexico door Midden-Amerika tot het noorden van Colombia en het noordwesten van Venezuela.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is tijdens de trek in augustus–september en maart–april in het westen van Cuba en op San Andrés, in bloeiende bomen langs bosranden en in tuinen. Vrouwtjes en jonge vogels worden vaak over het hoofd gezien tussen zangers.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De populatie is groot en neemt in delen van het broedgebied licht af.
Wetenschappelijke naam
Icterus spurius | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als O[riolus] spurius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Icterus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Icterus komt van het Griekse ikteros, een gele vogel — doorgaans opgevat als de wielewaal — waarvan de aanblik geelzucht zou genezen. spurius is Latijn voor 'onecht, bastaard'; men hield de vogel aanvankelijk voor een afwijkende vorm van de Baltimoretroepiaal. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.




