Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Wijnrode duif

Wijnrode duif | Patagioenas inornata

Plain Pigeon | Paloma sabanera

De wijnrode duif is een grote, lichtgrijze duif van de Grote Antillen, met een wijnrode waas over kop, borst en vleugeldekveren. Hij leeft in open, half bebost land, waar hij in de toppen van bomen zit en in groepen langs bosranden trekt. Op Puerto Rico was hij in de jaren zeventig bijna verdwenen en is hij na een beschermingsprogramma weer op veel plaatsen te zien. In Puerto Rico heet hij paloma sabanera, op Cuba torcaza boba, in de Dominicaanse Republiek paloma ceniza.

Wijnrode duif (Patagioenas inornata)
Foto: tomfeild — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een laag, kort koeren in drieën, met de nadruk op de laatste lettergreep: hoe, hoe-hoeoe, soms met een extra toon ervoor. Klinkt dieper en zachter dan de roep van de roodhalsduif.

Luister: ZangXC764510

Opname: Daniel Parker — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

38–41 cm, fors en wat gedrongen, op afstand vooral lichtgrijs, ongeveer zo groot als een stevige rotsduif. Kop, achterhals, borst en een deel van de vleugeldekveren zijn wijnrood overwaasd; de buik is lichter, grijs tot roze-grijs. Langs de voorrand van de gevouwen vleugel loopt een smalle witte lijn, die in de vlucht een witte band over de vleugel vormt. De iris is lichtgeel, de snavel zwart, de poten donkerrood. Het vrouwtje is iets kleiner en doffer dan het mannetje. Jonge vogels zijn bruiner, met lichte randjes aan de vleugelveren en een donker oog.

Verwarrings­soorten

De witte vleugelrand onderscheidt hem van alle andere grote duiven op de Grote Antillen. De roodhalsduif Patagioenas squamosa is veel donkerder, leigrijs met een wijnrode kop en hals, en heeft geen wit in de vleugel. De witkapduif P. leucocephala is bijna zwart met een witte kruin. Rotsduiven Columba livia hebben zwarte vleugelbanden en vaak een witte stuit. Op Jamaica heeft de ringstaartduif P. caribaea een donkere band over de staart en een groen glanzende nek, en leeft in bergbos.

Leefgebied

Open bos en bosranden, savanne met verspreide bomen, laaglandbos dat met landbouw is afgewisseld, weiden met boomgroepen, en op Puerto Rico ook landbouwmozaïek en dorpsranden in het heuvelland. Op Hispaniola ook in droog bos en pijnbos in het binnenland. Eet vruchten, bessen en zaden, die hij hoog in bomen plukt, en komt soms op de grond. Het nest is een los takkenplatform, meestal hoog in een boom; vaak meerdere nesten dicht bij elkaar.

Verspreiding en trek

Endemisch op de Grote Antillen. Op Hispaniola, in de Dominicaanse Republiek en Haïti, plaatselijk nog algemeen. Op Cuba schaars en plaatselijk, verspreid over het eiland. Op Jamaica zeldzaam en zeer plaatselijk. Op Puerto Rico van een kleine restpopulatie in het oostelijk-centrale heuvelland uitgegroeid tot een populatie van naar schatting enkele duizenden vogels, die zich over een groter deel van het eiland verspreidt. Buiten de Grote Antillen komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Puerto Rico in het heuvelland van het oostelijk-centrale deel van het eiland, waar groepen op hoge kale takken zitten en in de vlucht de witte vleugelband laten zien. In de Dominicaanse Republiek in open land met verspreide bomen in het binnenland en langs bosranden.

Staat van instandhouding

Gevoelig. Achteruitgegaan door ontbossing en jacht; op Puerto Rico bijna uitgestorven en daarna door bescherming en het uitzetten van gekweekte vogels hersteld. Op Cuba en Jamaica blijft de soort schaars, en ook op Hispaniola lijden de populaties onder jacht en het verdwijnen van bos.

Wetenschappelijke naam

Patagioenas inornata | (Vigors, 1827)

Vigors beschreef de soort in 1827 als Columba inornata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Patagioenas werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Patagioenas is Grieks, van patageō 'klepperen' en oinas 'duif', naar het klapperende vleugelgeluid bij het opvliegen. inornata is Latijn voor 'onversierd', naar het vrij effen verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Havana, Cuba.