Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Witkapduif

Witkapduif | Patagioenas leucocephala

White-crowned Pigeon | Paloma cabeciblanca

De witkapduif is een grote, bijna zwarte duif met een helderwitte kruin, de kenmerkende duif van de mangroven en kusteilandjes van de Bahama's, de Grote Antillen en de noordelijke Kleine Antillen. Hij broedt in kolonies op mangrove-eilandjes en vliegt dagelijks in snelle groepen naar het binnenland om vruchten te eten. Op Cuba heet hij torcaza cabeciblanca, in de Dominicaanse Republiek paloma coronita.

Witkapduif (Patagioenas leucocephala)
Foto: Lip Kee from Singapore, Republic of Singapore — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een laag, krachtig koeren, uilachtig van klank: kroe, kroe, koe-kroeoe, vaak meermaals herhaald vanaf een verborgen zitplaats. Bij het opvliegen is het geklapper van de vleugels te horen.

Luister: ZangXC998925

Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

33–35 cm, slank, met een tamelijk lange staart. Het hele verenkleed is donker leigrijs, op afstand zwart. De kruin is bij het mannetje zuiver wit, bij het vrouwtje grijzer wit en minder uitgebreid. In de nek een vlek van groen glanzende veren met een fijn, zwart-wit geschubd patroon, alleen in goed licht te zien. De iris is wit, de snavel rood met een lichte punt, de poten rood. Jonge vogels zijn bruiner grijs, missen de nekvlek en de witte iris en hebben hooguit enkele lichte veren op de kruin. De vlucht is snel en recht, vaak laag over het water.

Verwarrings­soorten

De witte kruin is in combinatie met het donkere lichaam bij geen andere duif in het gebied te vinden. De roodhalsduif Patagioenas squamosa is eveneens donker, maar heeft een wijnrode kop en hals en geen wit op de kruin. De wijnrode duif P. inornata is veel lichter grijs, met wijnrood op kop en borst en een witte rand langs de vleugel. Donkere rotsduiven Columba livia hebben een donkere kop, een witte of lichte stuit bij veel vogels en zwarte vleugelbanden; ze houden zich op in steden en havens.

Leefgebied

Broedt in kolonies in mangroven op kleine kusteilandjes en cays, plaatselijk ook in kustbos en, de laatste decennia, in tuinen en parken in kustplaatsen. Foerageert in droog laaglandbos, kustbos, tuinen en struweel tot op enige afstand van de kust, waarheen hij in groepen pendelt. Eet vrijwel uitsluitend vruchten en bessen, onder meer van vijgen, gumbo-limbo Bursera simaruba en poisonwood Metopium toxiferum; de broedtijd valt samen met de rijping van die vruchten. Het nest is een los platform van takjes in de mangrove.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Bahama's, Cuba en de eilanden voor de Cubaanse kust, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico, de Amerikaanse en Britse Maagdeneilanden, Anguilla, Sint Maarten, Saint-Barthélemy, Saba, Sint-Eustatius, Saint Kitts en Nevis en Antigua en Barbuda, verder de Kaaimaneilanden, Turks- en Caicos en San Andrés en Providencia. Zuidelijker in de Kleine Antillen schaars tot zeldzaam, met waarnemingen tot Guadeloupe en daarbuiten. Buiten het gebied in het zuiden van Florida en de Florida Keys en langs de kust en op de eilanden van het Mexicaanse schiereiland Yucatán en Belize. Vogels trekken tussen de eilanden; een deel van de vogels uit Florida overwintert op Cuba en de Bahama's.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vroeg in de ochtend en laat in de middag langs de kust, wanneer groepen tussen de broedeilandjes en de voedselgebieden heen en weer vliegen. Op de Bahama's en de Kaaimaneilanden is hij ook in tuinen met vruchtdragende bomen te vinden; de roep verraadt hem vaak eerder dan de vogel zelf.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De populatie gaat achteruit door het verdwijnen van droog laaglandbos, verstoring van de broedkolonies en jacht, die in verschillende landen deels legaal in een jachtseizoen plaatsvindt. Omdat de soort in grote, plaatselijke kolonies broedt en van seizoensgebonden vruchten afhangt, zijn ook orkanen een risico.

Wetenschappelijke naam

Patagioenas leucocephala | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Columba leucocephala; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Patagioenas werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Patagioenas is Grieks, van patageō 'klepperen' en oinas 'duif', naar het klapperende vleugelgeluid bij het opvliegen. leucocephala is Grieks, van leukos 'wit' en kephalē 'kop', naar de witte kruin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bahama's.