Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Wilgenfeetiran

Wilgenfeetiran | Empidonax traillii

Willow Flycatcher | Mosquero saucero

De wilgenfeetiran is een Empidonax van struikgewas langs water in Noord-Amerika die overwintert in Midden-Amerika en het noordwesten van Zuid-Amerika. Het Caribisch gebied ligt buiten de gewone trekroute; er zijn slechts enkele meldingen. Samen met de elzenfeetiran Empidonax alnorum werd hij vroeger als één soort beschouwd, de Traills feetiran; de twee zijn in het veld alleen aan de zang betrouwbaar te scheiden.

Wilgenfeetiran (Empidonax traillii)
Foto: Paul Danese — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een gesnoven, tweeledig fitz-bjoe, de roep een droog wit. In het gebied is vooral de roep te verwachten.

Luister: ZangXC1149494

Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm, met een vrij platte kruin en een vrij lange, brede snavel met een lichte ondersnavel. De bovendelen zijn bruinig olijf, de kop nauwelijks donkerder. De oogring is zwak of ontbreekt. De vleugelstrepen zijn witachtig tot okerkleurig. De witte keel contrasteert met een olijfgrijze borst; de buik is witachtig met een lichtgele zweem. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De elzenfeetiran Empidonax alnorum is vrijwel gelijk, gemiddeld iets groener, met een iets duidelijker oogring; een zwijgende vogel is als Traills feetiran te noteren. De beukenfeetiran Empidonax virescens is groener, met een duidelijker oogring en een langere handpenprojectie. De kleine feetiran Empidonax minimus is kleiner, met een kort snaveltje en een duidelijke witte oogring. De oostelijke bospiewie Contopus virens heeft langere vleugels, geen oogring en een donkerder borst.

Leefgebied

Tijdens de trek dicht struikgewas en jong bos nabij water: moerasranden, oeverbegroeiing, de randen van mangrove en ruigten in open landbouwgebied. Vangt insecten vanaf een lage, vaak open zitplaats. In het broedgebied nestelt hij in een rechtopstaande vork van een struik.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Cuba een zeer zeldzame doortrekker; van de Bahama's, Jamaica, Puerto Rico en Trinidad zijn enkele meldingen als dwaalgast bekend. Elders in het gebied niet vastgesteld. Broedt in het zuiden van Canada en een groot deel van de Verenigde Staten en overwintert van Mexico door Midden-Amerika tot in Colombia, Venezuela en Ecuador.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een bruinige feetiran met een zwakke oogring en een witte keel in struikgewas bij water, tijdens de trek in september en oktober of in april en mei, kan deze soort of de elzenfeetiran zijn. Zonder zang of geluidsopname is de determinatie tot soort niet mogelijk.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De zuidwestelijke ondersoort extimus is in de Verenigde Staten wettelijk beschermd vanwege het verlies van oeverbegroeiing.

Wetenschappelijke naam

Empidonax traillii | (Audubon, 1828)

Audubon beschreef de soort in 1828 als Muscicapa traillii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Empidonax werd in 1855 ingevoerd door Cabanis. Empidonax is Grieks, van empis 'mug' en anax 'heerser': 'muggenkoning', naar de insectenjacht. traillii eert de Schotse arts en zoöloog Thomas Stewart Traill (1781–1862), een vriend van Audubon. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit langs de Arkansas River (VS).