Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Wintertaling

Wintertaling | Anas crecca

Green-winged Teal | Cerceta común

De wintertaling is de kleinste grondeleend van het gebied, een compact eendje dat in snelle, wendbare groepjes vliegt. De vogels in het Caribisch gebied zijn wintergasten uit Noord-Amerika en horen tot de Amerikaanse vorm, die soms als aparte soort wordt behandeld. Op Cuba heet hij pato serrano.

Wintertaling (Anas crecca)
Foto: ALAN SCHMIERER — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje laat een helder, klokkend fluitje horen, kriek, vaak herhaald en in groepen tot een koor aanzwellend; het vrouwtje een hoog, scherp kwaken in een korte, afdalende reeks.

Luister: ZangXC1168468

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

31–39 cm, klein en gedrongen, met een kort snaveltje. Het mannetje heeft een kastanjebruine kop met een brede, glanzend groene band van het oog naar de nek, fijn crème omzoomd, een gespikkelde roomkleurige borst, een grijs gevermiculeerd lichaam met een verticale witte streep aan de zijkant van de borst en een gele vlek onder de staart. Het vrouwtje is gevlekt bruin, met een donkere oogstreep, een lichte streep langs de staartzijde en een donkere snavel. Beide seksen tonen in de vlucht een helder groene spiegel met een okergele voorrand.

Verwarrings­soorten

De blauwvleugeltaling Spatula discors is iets groter, met een langere snavel en in de vlucht lichtblauwe voorvleugels; het vrouwtje heeft een duidelijkere lichte vlek aan de snavelbasis. Mannetjes van de Euraziatische vorm hebben geen verticale witte streep op de borstzijde maar een horizontale witte streep boven de flank, en een duidelijker lichte omzoming van het groene kopveld; zulke vogels zijn in het gebied uitzonderlijk.

Leefgebied

Ondiepe moerassen, modderige oevers van meren en vijvers, lagunes, rijstvelden en overstroomde weilanden. Foerageert in heel ondiep water en op slik, vooral op zaden van moerasplanten en kleine ongewervelden. Zit vaak dicht tegen de oever of tussen de begroeiing.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Een wintergast in het noorden van het gebied: vrij algemeen op Cuba, en verder op de Bahama's, de andere Grote Antillen en de Kaaimaneilanden in kleinere en wisselende aantallen. In de Kleine Antillen, op Trinidad en Tobago en op de ABC-eilanden schaars en onregelmatig. Broedt in het noorden van Noord-Amerika en overwintert van de Verenigde Staten tot Mexico en het noorden van Midden-Amerika; de Euraziatische vorm broedt in het noorden van Europa en Azië.

  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op modderige oevers en ondiepe moerassen met wat begroeiing, waar groepjes vaak pas opvallen als ze opvliegen; de verticale witte borststreep van het mannetje is ook op afstand zichtbaar. Tussen groepen blauwvleugeltalingen is de kortere snavel het belangrijkste kenmerk.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De Noord-Amerikaanse populatie is de afgelopen decennia toegenomen. In het Caribisch gebied wordt op de soort gejaagd en verdwijnen ondiepe wetlands door ontwatering en bebouwing.

Wetenschappelijke naam

Anas crecca | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anas voerde hij in datzelfde werk in. Anas is het Latijnse woord voor 'eend'. crecca gaat terug op kricka, de Zweedse naam van de vogel, een klanknabootsing van de roep van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.