Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Pijlstaart

Pijlstaart | Anas acuta

Northern Pintail | Ánade rabudo

De pijlstaart is de slankste grondeleend, met een lange hals en bij het mannetje een naaldvormige staart. In het Caribisch gebied is hij een wintergast uit Noord-Amerika, in het noorden van de eilandboog regelmatig en op Cuba vrij algemeen. Op Cuba heet hij pato pescuecilargo, naar de lange hals.

Pijlstaart (Anas acuta)
Foto: USFWSAlaska — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje laat een zacht, klokkend fluitje horen, proep-proep; het vrouwtje een laag, schor kwaken en bij het opvliegen een schor kwarr. In de winter weinig te horen.

Luister: VluchtroepXC1167242

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

51–76 cm; het mannetje is door de lange middelste staartveren veel langer dan het vrouwtje. Het mannetje heeft een chocoladebruine kop, een witte borst en voorhals met een witte streep die langs de halszijde omhoog loopt, een grijs, fijn gevermiculeerd lichaam, een zwart achterlijf met een crèmekleurige vlek ervoor en een lange, zwarte, spitse staart. Het vrouwtje is fijn gevlekt grijsbruin, met een effen lichtere kop, een lange hals en een spitse staart. De snavel is lang en blauwgrijs met een zwarte middenstreep. In de vlucht slank, met smalle vleugels, een bronsgroene of bruine spiegel met een witte achterrand en een lange nek.

Verwarrings­soorten

De bahamapijlstaart Anas bahamensis is kleiner en warmer bruin, met witte wangen en een rode snavelbasis. Het vrouwtje van de wilde eend Anas platyrhynchos is gedrongener, met een oranje snavel en een blauwe spiegel met brede witte randen. Het vrouwtje van de krakeend Mareca strepera heeft een kortere hals, een snavel met oranje randen en een wit vleugelvlak.

Leefgebied

Ondiepe zoete en brakke meren, lagunes, zoutpannen en overstroomde graslanden, ook rijstvelden. Grondelt met de lange hals dieper dan andere grondeleenden en eet zaden, waterplanten en kleine ongewervelden. Overdag rust hij vaak in groepen op open water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Een wintergast in het noorden van het gebied: vrij algemeen op Cuba, en regelmatig op de Bahama's, Hispaniola en Puerto Rico; op Jamaica en de Kaaimaneilanden in kleinere aantallen. In de Kleine Antillen, op Trinidad en Tobago en op de ABC-eilanden schaars en onregelmatig. Broedt in het noorden van Noord-Amerika, Europa en Azië; de Amerikaanse vogels overwinteren van de Verenigde Staten tot Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika.

  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op grote, ondiepe meren en lagunes in de winter, meestal tussen Amerikaanse smienten, slobeenden en blauwvleugeltalingen; het lange, slanke silhouet onderscheidt hem al op afstand. Mannetjes krijgen in de loop van de winter hun volledige prachtkleed.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De Noord-Amerikaanse populatie is sinds de jaren zeventig sterk afgenomen door het omploegen van prairiewetlands in de broedgebieden en is sindsdien niet hersteld. In het Caribisch gebied wordt op de soort gejaagd.

Wetenschappelijke naam

Anas acuta | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anas voerde hij in datzelfde werk in. Anas is het Latijnse woord voor 'eend'. acuta is Latijn voor 'spits', van acuere 'scherpen', naar de lange puntige staartveren van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.